Vooraleer we Kigoma, verlaten maken we nog een ommetje langs Ujiji, de historische ontmoetingsplaats van Stanley en Livingstone. Het herdenkingsteken valt best mee, de mangoboom waaronder de ontmoeting plaatsvond indrukwekkend, het museum daarentegen. erbarmelijk. Hier werd geschiedenis geschreven en deze stop wilden we voor geen geld missen.
Politiecontrole! Dit keer is er een overste aanwezig. Die spreekt perfect Engels en maakt het ons knap lastig. Ditmaal begrijpen wij geen woord Engels. Eric opent uiterst langzaam de diverse opbergruimtes. tactische zet. misschien worden ze het beu. Een half uurtje later mogen we gaan.
Om halfzeven houden we halt. De rotslechte wegen eisten hun tol: Eric kan zijn arm nauwelijks bewegen, ik hou een pijnlijke nek over aan de rit en we hebben er amper 200 km op zitten. In een godvergeten gat treffen we een schooltje. Geen bewaking, spijtig. We kunnen niemand toestemming vragen om te overnachten. We blijven sowieso, hebben geen keuze: verder rijden in het halfduister betekent verongelukken. Vanuit het niets duiken jongetjes op. Ze zijn nieuwsgierig en toch ook een beetje bang van ons. Eens we in de auto zitten, proberen een paar 'stoere' knaapjes ongezien - althans voor ons - de auto aan te raken. Eentje hitst de groep op en gaat een stap te ver. Hij prutst aan de onderdelen, terwijl hij een grote mond opzet. We jagen hen weg. Een tweetal blijft ons treiteren. Het merendeel kijkt van op afstand toe hoe het afloopt. Ik blijf met gekruiste armen staan. Na een dikke tien minuten geven ze het op en lopen weg. We genieten van een rustige nacht en ook 's morgens valt niemand ons lastig.
Om zeven uur zijn we alweer op pad. Elf uur: we bereiken een centrum en vragen de weg naar Tabora. "Dit is Tabora", vertelt een oude man vriendelijk. We zijn aangenaam verrast. De stad valt dan weer lichtjes tegen: geen elektriciteit, internet. Zullen we wel een paar dagen overleven. We nemen ruim de tijd om een biertje te drinken, relaxen. en vragen daarna de weg naar de school van de Broeders van Liefde. Prompt worden we naar een schooltje gestuurd. Joelende kinderen stuiven uiteen bij het zien van de unimog. Eens goed en wel de motor afgelegd, springen ze gezwind rond het voertuig. De verantwoordelijke van de school komt snel aangefietst. Wie zoeken jullie? We vragen naar de Nederlandse broeder Walter. 't Is mis. De man kijkt ons verbouwereerd aan. In de ganse stad woont geen enkele mzungu. Ik herhaal traag mijn informatie: "We zoeken een Nederlandse Broeder van Liefde. Hij woont bij een dovenschool in Tabora." "Maar dit is Tabora niet.", verklaart de man, "Dit is Kalima in het district Tabora. De stad ligt op 100 km hiervandaan." Domper. Twee uur tijd verloren en dan aan de weet te komen dat we er nog lang niet zijn.
Twintig kilometer verder treffen we Urambo, de laatste echte stad voor Tabora aan. We eten er een hapje en verliezen opnieuw een uur. Na een lastige rit bereiken we om 16 uur Tabora. We maken kennis met de Nederlandse broeder Walter. Hij nodigt ons prompt uit om in het restaurant aan de overkant van de straat een biertje te drinken. Hij komt er wekelijks een biertje drinken, lekker relaxen, eventjes weg van alle zorgen. Na 26 jaar Papoea, 3 jaar Pakistan en een paar jaar Filippijnen kwam hij vier jaar geleden in Tabora terecht. Tabora valt hem tegen. Aan de zwarte broeders heeft hij niet echt gesprekpartners. De Tanzanianen zijn te gelaten. "Ik ben moe. Moe, dat is het woord.", geeft Walter toe. "Als blanke word je hier getolereerd.", schuddebolt hij. "Niet meer, niet min. Nee, de tijd van de blanken is allang voorbij." Binnenkort keert hij terug naar Nederland, voorgoed. Maar ook deze gedachte maakt hem bang. "Ik ben te jong om voor tv neer te zitten met een sigaartje." En toch kan hij Tabora niet volledig loslaten. Hij heeft te doen met de talrijke alleenstaande vrouwen met kinderen. De mannen verlaten hier gemakkelijk hun vrouw en kroost, zonder naar hen om te kijken, om bij een andere vrouw opnieuw te starten. Sommigen onder hen wil Walter verder vanuit Nederland helpen.
We nemen afscheid. Ook de Witte Pater Bergmann loopt nog even langs. We moeten zeker en vast een stop maken in Igunga. Daar woont een Vlaamse Witte Pater, Albert Bolle. Dat beloven we. Het eventjes goedendag zeggen mondt uit in een tiendaags verblijf. Hij weet van aanpakken, de drieënzeventig jarige man. Hij bouwt een gemengde school voor rijke kinderen en arme wezen. De betalende leerlingen dragen een stuk bij voor het onderwijs van de armen. (zie ook: www.endallah.be ). Albert Bolle, een merkwaardig figuur! Die verhalen bewaar ik lekker voor het boek over de Afrikatrip.
Bagamoyo, deze voormalige hoofdstad van Tanzania wordt heel vaak door de toerist vergeten, nochtans kan het terugblikken op een rijk historisch verleden. De Arabieren verzamelden hier hun slaven. Daarna werden ze ingescheept naar Zanzibar. In het spoor van de Arabieren kwamen de missionarissen. Zij ijverden voor de afschaffing van slavernij. Ze kochten zelf meerdere slaven vrij en brachten ze onder in een 'nieuwe stad', Freetown. Van hieruit vertrok Stanley op zoek naar de verloren gewaande Livingstone (vond hij in Ujiji). Later stierf Livingstone in Zambia. Zijn trouwe dienaren droegen zijn lijk door 1500 mijl oerwoud terug naar . Bagamoyo, vanwaar het verscheept werd naar Engeland. De Duitsers bouwden er begin 1900 talrijke woningen. Na de eerste wereldoorlog palmden de Engelsen Bagamoyo in. Kortom. een historische stad, meer dan een bezoekje waard.
Ria Anyca
Lees verder: Reisverslag 18 - Tanzania - DEEL 3 >>
© 2005-2007 Deze tekst en al de teksten op deze website zijn eigendom van Ria Anyca. Gelieve toestemming te vragen voor verspreiding.