Grensovergangen. zelfs als het op eerste zicht meezit, kan het achteraf nog flink tegenvallen. We vliegen doorheen de Rwandese formaliteiten totdat we voor een gesloten grensbarrière staan en de politieagent van dienst weigert om deze open te maken. "Aha, vous n'avez pas une carte de sortie". Alle Rwandesen, Tanzanianen ondergaan dezelfde formaliteiten en passeren de grens zonder meer, zonder 'carte de sortie'. We zijn uitgeschreven. In theorie hebben we reeds Rwanda verlaten. Hij vleit wat om daarna ons triomfantelijk te vertellen dat we Rwanda niet buiten raken. De barrière zelf openen kan niet, wegens een te groot slot. Eric staat op ontploffen, springt in de unimog en provoceert door tot tegen de barrière aan te rijden. Ik probeer Eric te kalmeren en tegelijk het mannetje op andere gedachten te brengen. Hij wil geld. vermoed ik. Smeergeld hebben we nog nergens betaald (wel zijn we hier en daar wel eens gerold, maar puur smeergeld.) en dat zullen we nu ook niet. Eric vliegt op het mannetje af. Ik spring ertussen. Het mannetje staat op zijn benen te trillen. In een wanhoopspoging vraagt hij: "Waar zijn jullie nummerplaten?" Hij kijkt me triomfantelijk aan. "Aan de auto.", bits ik hem toe, "Waar elders?" Hij schrijft de nummerplaten af. Pruttelend stapt hij op zijn wachthokje af. "Zij beletten me om mijn register in te vullen." "Hewel, begin eraan.", bits ik hem opnieuw toe. Met zijn register heb ik geen probleem, wel met zijn onbestaand documentje. Voorzichtig schuifelt hij naar de barrière toe: of Eric de auto een beetje achteruit wil rijden, anders kan de barrière niet open.
Ik spel Eric de les: "Je weet dat je het niet kan halen. Wat was je daar van plan: doorheen de barrière rijden? Hem doorheen schudden?" "Ik zou erdoor gereden hebben.", knarsetand Eric. "En dan de bak in?! 't Rwanda hoor. Wil je hier in 't prison? En hoe zou je eruit raken? Zeker als je een illegale daad stelt! En dan sta ik hier, met de unimog, en wat dan?" (misschien zouden ze me ook opsluiten.) Weer breng ik het onderwerp unimog ter sprake. Ik kan hem niet besturen, niet eens de motor opstarten. Op Afrikaanse bodem zou Eric mij dit leren. En wat als hij ooit ziek valt?
Oef, Tanzania, anticlimax, maar we bekomen van de opgelopen stress. We vliegen doorheen immigratie, gevolgd door .. een scène in 4 bedrijven bij de douane. Hij brengt de carnet de passage in orde. De man zit verweesd te kijken naar de papieren. Eric heeft hem een paar tips, waarop de man tot een 'bezoeker' zegt: "ah, die mzungu's, die denken altijd dat wij niets weten." Enfin, hij doet toch maar braafjes wat Eric hem voorschrijft. We moeten daarna roadtax betalen. De man zit ijverig te rekenen: 79 $, 99 $,. Prompt zeg ik dat ik dit niet betaal. "Wacht", zegt hij, "we zijn er nog niet. Ik ben nog aan het cijferen." Na een korte discussie lopen we het kantoor uit, springen we de unimog in en proberen te grens over te steken. De carnet de passage is in orde, de rest hebben wij niet nodig. Vlak voor onze neus klapt de barrière (drie keer zo dik als die van Rwanda) toe en gaat er een reusachtig molslot op. "Je moet nog langs dit bureau langs.", zegt een man zachtjes. Ik naar het bureau. "Documentje van de douane? Zonder documentje verlaten jullie deze grenspost niet." Ik foeter. "De kerel vraagt smeergeld." "Hij zal een reçuutje geven. Daarmee kan je klagen in Dar es Salaam. Ik vraag naar de grote baas, maar die is er niet. gaan lunchen of zo. "Als jullie ons niet laten gaan, dan wil de ambassadeur bellen." Ze lachen. "Waarom?" Ze halen de schouders op en eventjes later staan we ter onverrichte zake buiten. Een man stapt op ons toe en vraagt wat het probleem is. Misschien kunnen we de grote baas spreken. "Ga je met mijn voorstel akkoord." We knikken. Hij verdwijnt en komt wat later terug. Hij heeft de baas niet gevonden en stelt voor dat we toch 'iets' betalen. Terug naar het douanekantoor. "Ongeveer 99 $. Ik moet het juiste bedrag nog uitrekenen." Terug van af. Ik protesteer: eerste 14 dagen gratis, indien langer moet je 20 $ betalen." Ik heb weet van 25 $ maar hou mijn bedrag opzettelijk iets lager. Er valt geen praten aan. Onze bemiddelaar sust en spreekt de douanier toe. Als we enkel naar Kigoma gaan, moeten we slechts 50 $ betalen. Eric en ik overleggen en we geven ons gewonnen. maar daar duikt het kleine dollarprobleempje weer op. We hadden net genoeg om de immigratie (die dan 10 $ pp meer kostte dan voorzien - hadden we geen probleem mee. De prijsverhoging was netjes en zichtbaar uitgeplakt) plus de roadtax van 25 $. Ik heb dollars tekort. Ik verklaar me akkoord met de 50 $ en vertel tegelijk dat ik er slechts een dertigtal overheb. Ik haal mijn geld zichtbaar uit de portefeuille en tel het geld open en bloot na. "En nu?", vraag ik. Onze bemiddelaar praat met de douanier. Keer je terug naar deze grenspost?" "Nee.", verzeker ik hem met veel overtuiging. "Als je wegblijft en niet terugkeert uit Kigoma moet je zoveel niet betalen." Hij halveert het bedrag. We krijgen een reçuutje - "een officieel", benadrukt hij - waarop hij netjes het bedrag van 25 $ invult plus . dat we na Kigoma naar Kongo (moeten) vertrekken.
Hebben we gelijk of niet? Het blijft een open vraag. We hadden het gevoel om gerold te worden. Anderzijds viel het woord 'truck' meermaals en werden we als truckers en niet als reizigers gecatalogeerd. Op de vraag hoeveel kilometers we in Tanzania zullen rijden, blijven we het antwoord schuldig. Het hangt van zoveel factoren af. Het gewoon vrachtvervoer legt vaste trajecten af . maar wij zijn nu eenmaal geen handelaars. Eventjes voel ik me schuldig. maar die schuld gaat vlug over wanneer we kennis maken met de rotslechte wegen: "Verdomme! En daarvoor durven ze dan taks te vragen! Wie zal de schade aan de auto betalen!"
Talrijke patrouilles 'terroriseren' de weg. Keer op keer worden we halt toegeroepen. Meestal giechelen de agenten, vragen ons: "Vanwaar kom je?" en "Waar ga je heen?" Een enkele keer worden Eric zijn rijbewijs gevraagd.
We overnachten in de parochie van Fr. Nsavy'Umwami.
De eerste 250 km verlopen tegen de verwachting in vrij vlot. De laatste 90 km daarentegen blijken één ramp te zijn. In Kibondo willen we geld wisselen in de bank. Ze weigeren onze euro's. Het botst. Het wordt me teveel en ik steek een tirade af over de vele borden onderweg "project gerealiseerd met Europese steun. In dit geval zeggen jullie geen neen aan onze euro, maar euro's wisselen kan niet! Zuiver Amerikaanse initiatieven heb ik daarentegen nergens, maar nergens gezien!" De beambten beamen, maar: "Ook deze projecten worden met dollars betaald. En het personeel van de ngo's en de Europese gemeenschap betalen hier ook met dollars." Ik ben gefrustreerd. Een eenvoudig man spreekt me aan: "Ja, alles wat je zegt is waar. Het verbaasd me eveneens dat ze jullie euro's niet willen wisselen. Nochtans staat de munt steviger dan de dollar. Vraag naar de directeur." Was ik reeds van zin. Een man komt langs. "Ben jij de directeur?", vraag ik. Vaag knikt hij. De man naast mij zegt dat hij een gewone bediende is. Ik eis opnieuw een gesprek met de directeur en krijg als antwoord dat hij niet aanwezig is. De brave man vertelt me opnieuw dat hij zag hoe de directeur net zijn kantoor binnenstapte, waarop ik opnieuw een gesprek met de directeur eis. Twee mannetjes later komt de eerste opnieuw op de proppen en brengt ons tot bij de directeur. Iets rustiger steek ik opnieuw het ganse verhaal af: we kunnen geen diesel of eten kopen, de euro staat steviger dan de dollar, de immense Europese steun aan Oost - Tanzania, de totaal afwezig Amerikaanse steun. De brave man beaamt, maar hij kan moeilijk wisselen. dan zit de bank met een probleem: het kan maanden duren vooraleer iemand euro's wil kopen. Zowat 150 km verderop kunnen we gemakkelijk in Kigoma wisselen. We kunnen Kigoma halen, dat weet ik, hij niet. maar het is alleen niet meer de kwestie van geld wisselen alleen. het is een principiële kwestie. In vele Afrikaanse staten is er een haat-liefde verhouding met Amerika. Velen verwijten Amerika hun arrogante houding in o.m. de kwesties in het Midden-Oosten. Amerika doet niets of uiterst weinig voor Afrika. maar de dollar wordt met liefde gekoesterd. De euro wordt angstvallig op afstand gehouden. Ik pleit: "De bank hier heeft toch contact met de zusterbank in Kigoma. Om van die euro's af te raken, kan toch geen onoverkomelijk probleem zijn." Ik krijg mijn geld. De allereerste bediende regelt de geld in bijzijn van de directeur. Eric onderschept een waardeloos biljet waarop de directeur zijn bediende onmiddellijk ter orde roept. Met de nodige buigingen en bedankt u wel 's, verlaten we triomfantelijk het bankgebouw.
Het draait reeds rond een uur of vijf wanneer we Kigoma bereiken. We zoeken het jeugdcenter Mandeleoo op en maken kennis met Stan, een Vlaamse Broeder van Liefde. Bij een flinke pot thee wisselen we wat persoonlijke informatie uit. Stan nodigt ons uit voor het avondmaal. We tafelen met een 65-tal anderen, jongeren, studenten, een paar dove kinderen, mentaal gehandicapte jongens, twee vrouwen, een paar psychiatrisch patiënten. zeven nationaliteiten, diverse godsdiensten: katholieken, protestanten, anglicanen, moslims. allen wonen onder één dak. De maaltijd is eenzijdig: dagelijks ofwel rijst of ugali vergezeld van bonen, soms kool en sporadisch een klein stukje vis. "Een eeuwig durend scoutskamp.", zegt Stan. Hij speurt de tafels af. "Celle heeft geen bonen. Wie heeft bonen voor Cele?" Een kom bonen wordt doorgeven. "Frederique heeft geen kool. Wie heeft kool voor Frederique?" Geen reactie. "Wie heeft kool voor Frederique?" Geen reactie. Stan maakt een teken. Hij krijgt een lege kom overhandigd, waarin hij een beetje kool vanuit zijn bord deponeert. Hij heeft de kom door. Iedereen legt een paar vorken kool terug totdat er voldoende is voor een ruime portie.
Over gastvrijheid kan Stan een boom opzetten. In zijn huis is iedereen die aanklopt welkom, zonder vragen, blijft zolang hij wenst. Stan zal niemand wegsturen, ook niet voor diefstal. "In dit geval zou ik politieagent spelen. Op die manier creëer je oneerlijkheid. Niemand durft dan nog een fout toe te geven." Over het achteruitgaan van de religieuze gemeenschap in België heeft hij ook een uitgesproken mening. "Indien de kloosters in België wat gastvrijer zouden zijn, zouden ze ook vollopen." Hij klopte ooit aan bij Broeders. Ze wilden net aan tafel gaan en verzochten hem om over een uur of twee nog eens langs te komen. "Allez, konden ze nu geen bord bijzetten? Wat houdt dat in? Ik mocht dan wel twee uur aan de overkant van de weg in het restaurant zitten wachten."
Stan nodigt ons uit voor het ontbijt en middagmaal. We bedanken, maar slaan het aanbod af. We hebben nog voldoende broodjes voor het ontbijt. Wat het middagmaal betreft, willen we niet ten laste zijn. (wat Stan helemaal niet als een last ervaart!). We maken 's avonds wel graag deel uit van de groep. Na het avondmaal gaat het er vrij relax aan toe. Ook Stan heeft dan wat meer tijd om met ons te praten. Dit geeft ons dan weer de kans om zich beter te kunnen inleven.
's Middags gebruiken we het middagmaal in een klein restaurantje. Voor een habbekrats krijgen we elk een bord met kip, een groot bord rijst, pompoen, gebakken banaan en kool, en een kommetje soep. Als toemaatje krijgen we een stuk papaja. Kigoma stikt van wat Stan de professionele bedelaars noemt. Heel vaak zijn ze best in staat om een handeltje op te zetten. Ik krijg mijn bord niet uit en heb medelijden met een arme drommel, een oude man, neerliggend voor het restaurant. Zijn voeten zijn voor de helft verdwenen. Zonder hulp kan hij zich vermoedelijk niet verplaatsen. Hij is niet in staat om een beter leven te creëren. Ik laat de kelner hem de resten van mijn maaltijd geven. Ik loop hem een beetje beschaamd voorbij. Hij weet niet waar het voedsel vandaan komt, maar doet zich met smaak en vol overgave tegoed aan. mijn restanten. Het geeft me gemengde gevoelens.
Na méér dan veertien dagen heb ik eindelijk contact met het thuisfront. De gezondheidstoestand van mijn papa gaat op en af. "Het zal opeens gedaan zijn.", zegt Eric. Ik ben boos. Zoiets zeg je niet. Papa wordt beter, maak ik mezelf wijs.
Ik koop een simkaart maar slaag er niet in om het thuisfront te bereiken. Terug naar het internetcafé in de hoop dat er ditmaal geen elektriciteitspanne is of de provider het niet laat afweten. Ik open mijn mails. De eerste mail begint in mineur: "ik wou dat ik dit jou persoonlijk kon vertellen, maar ik heb zeer slecht nieuws. De boodschap dringt niet door. ik lees verder. opa is deze nacht overleden. Ik lees de zin opnieuw en opnieuw. Woest tokkel ik op het toetsenbord en delete de boodschap. Ik wil de mail opnieuw lezen, maar hij is er niet meer.
Ik open de tweede boodschap van donderdagavond: papa had vandaag een betere dag.
Er staan nog een massa mailtjes met onderwerp DRINGEND. Ik tokkel op de toetsen en laat de computer vastlopen. Ik ben buiten mezelf. Eric zit op me te wachten en krijgt me plotseling in de gaten. Hij springt recht, samen met de, toevallig aanwezige, zwarte broeder Albert. Eric en Albert willen me troosten. Ik wil de mails lezen en krijg ze niet meer open. Albert verdwijnt eventjes en komt dan terug. "Kom, ik heb afgerekend. De taxi staat klaar. We vertrekken naar broeder Stan."
Ik probeer mijn moeder tevergeefs met mijn gsm te bereiken. Broeder Stan laat me zijn vaste telefoon gebruiken. Ik heb contact. Ik kan de waarheid niet meer ontkennen.
Broeder Stan helpt ons vertrek organiseren.
Zaterdagmiddag nemen we het vliegtuig naar Dar es Salaam. Uren later kunnen we het vliegtuig naar Amsterdam nemen. Zondagmiddag zijn we thuis. op de verjaardag van mijn moeder.
Papa wordt begraven.
Vertrek uit België en na een uiterst vermoeiende vlucht bereiken we Kigoma.
Ik breng de dag in ledigheid door: slapen, slapen, slapen. tot een gat in de dag, 's middags val ik in slaap voor een paar uur. om acht uur wil ik opnieuw slapen. Afrika hoeft niet meer. 't Is een klus. de auto moet sowieso terug naar België.
Stan neemt ons op sleeptouw naar Kihinga. We bezoeken de Newman school, ontmoeten de Canadese broeder Bernard, krijgen een rondleiding. Ik leef op, interesseer me opnieuw in het verhaal van de broeder, de troubles rond het eigendomsrecht van de school, het studentenleven van de Tanzaniaanse jongeren en het verhaal van de Vlaamse vrijwilliger Wouter.
Ik slaap nog altijd veel, maar onderneem opnieuw actie. We bezoeken Hongo, de zakenpartner van een Vlaamse landbouwingenieur. Samen zetten ze een revolutionair bedrijfje: felisa, farming for energy, op. Hij maakt voor ons een afspraak met Stefan De Keyser.
Nakaarten met Stan. "Ik laat jullie nog niet gaan.", lacht Stan.
Maandag kleefde Eric de foto van op het bidprentje onder de foto van onze kinderen. Elke ochtend kijk ik in de ogen van mijn vader en krijg ik een steek in het hart.
Owen, een jonge man en computerdeskundige in dienst van één of andere organisatie nodigt ons uit voor een barbecue. Owen is een bolleboos, méér dan een meter vijfentachtig groot, krulletjes, ietsje stijf als hij iets vertelt. enkel het ronde brilletje ontbreekt. Een lieve gast mét visie en die de kunst verstaat om af en toe te genieten van het leven. Ik ben hem dankbaar voor het avondje uit.
Afscheid van Owen, gevolgd door een afscheid van Stan. Het is moeilijk om te gaan. in mijn achterhoofd zit nog steeds de idee van . laat ons nog één dagje langer blijven.
Uitstel. om ons leven opnieuw op te pakken?
Langzaam maar zeker neem ik definitief afscheid van papa. Hij zal - of tenminste zijn dood - altijd onafscheidelijk verbonden zijn met onze Afrikatrip.
Papa is niet meer. Vaarwel.
Ria Anyca
Lees verder: Reisverslag 17 - Tanzania - DEEL 2 >>
© 2005-2007 Deze tekst en al de teksten op deze website zijn eigendom van Ria Anyca. Gelieve toestemming te vragen voor verspreiding.