We hebben onze grensovergang van Ethiopië naar Kenia (Omoroto - Ileret) goed gekozen!!! En dan zijn we méér dan een klein beetje cynisch. We mogen volgens onze visa nog één dag langer blijven, maar immigratie spoort ons (met lichte dwang) aan om Ethiopië te verlaten. (Heeft de politieke onrust er iets mee te maken?). Ethiopische grenspost: paspoort, stempeltje en go. "En onze carnet de passage? "No problem, no problem. We mogen al die overtollige papieren achterlaten. indien we dat willen (probleem opgelost?!!). "Hier zijn geen douanes. Er passeren hier zóveel auto's en niemand heeft ooit problemen gehad." Alles is natuurlijk relatief: één overlander zo eens per twee/drie maand, dat kan tellen.
We begeven ons dan maar op pad. Zeventien km langs een goede weg (relativering is ook hier nodig - als je nooit eerder een 'goede' weg zag, welke voorstelling kan je er dan ook van maken?) We volgen de weg, ontwijken de putten en kijken uit naar de eerste afslag rechts. Afslag gemist wegens onooglijk klein. Eventjes op onze stappen terugkeren en hop de juiste richting uit. De 'weg' wordt een spoor en zo af en toe zijn we het spoor (letterlijk en figuurlijk) bijster. Ethiopië is bijzonder druk bevolkt, met uitzondering van dit ene strookje grensgebied. Sporadisch zien we mensen, maar hier lijkt iedereen bang van onze 'indrukwekkende' Unimog. Kinderen vluchten de struiken in. Volwassenen stellen zich vrij beschermend op. Converseren lukt niet, de weg vragen net zo min. Ondanks de kuilen (letterlijk en figuurlijk) bereiken we Kenia vooraleer we er erg in hebben. Een grenspost is er niet - ons paspoort en visum kan wachten tot .ooit in Nairobi.
Kenia, dus. Correctie: Kenia B, volgens de ingewijden. Kenia B begint waar alle wegen verdwijnen, waar de bevolking deel uit maakt van diverse stammen en nog steeds in rivaliteit (over)leven. Kortom: het vergeten en verlaten (weer eens letterlijk en figuurlijk: Nairobi ligt niet wakker van deze regio).
De Unimog zwoegt helling op, helling af, danst over gladde keien, trotseert de lavavelden. Eric zwoegt eveneens, houdt met moeite het stuur in bedwang . en dan opeens wil de ontkoppelingspedaal niet meer mee. We raken nog een helling mét kloven op en dan zegt de Unimog: ik stop ermee. We staan midden in de woestijn. Sinds we Kenia bereikten hebben we geen mens, laat staan een andere auto, gezien. We kijken elkaar aan. 'Wat nu?' (De vreselijke verhalen over stammenmoorden in deze regio liggen nog vers in het geheugen - de laatste officiële feiten dateren van juli -. en zo af en toe komt een landover in de vuurlinie terecht. Na een half uur krijgt Eric de Unimog opnieuw aan de praat.
Het terrein wordt ruwer en ruwer. We zien hele drommen dromedarissen, méér dan in Tunesië, Libië, Egypte en Soedan samen. We zijn stomverbaasd: kamelen in Kenia!!! Ze horen toe aan rondzwervende nomaden. Weg zijn de kamelen, weg het spoor die nog enigszins voor weg doorgaat. De versnellingsbak doet het niet naar behoren. Het wordt donker en we zijn nog ongeveer 90 km van ons einddoel af. We kunnen de kleine track onmogelijk verlaten. Dansend over de lavakeien vorderen we langzaam. Het wordt gevaarlijk rijden, maar wanneer de nood het hoogst is. Het landschap verandert. We staan opnieuw in een zandwoestijn, rijden de 'weg' af en installeren ons voor de nacht. (Het avondeten wordt weer eens een noodrantsoen Soubry macaroni!)
Eric ziet de Unimog na en met goede moed begeven we ons op pad. Het gaat een poosje goed totdat de versnellingsbak niet langer wil meewerken. Tot overmaat van ramp zijn we het spoor totaal bijster. We staan voor een zandvlakte en naar alle mogelijke uithoeken zwerven sporen uit. maar weer eens als de nood het hoogst is, daagt een auto op. Een defender: wat een sensatie: een auto! We mogen de auto tot in het eerstvolgend dorp volgen. De bestuurder blijkt een Duitse priester te zijn. Hij trekt een nieuw spoor, hangt eventjes uit zijn auto om de richting te betalen en zoeft er als de bliksem vandoor. en de arme Unimog (met al zijn probleemtjes) kan met moeite volgen. We bereiken North Horr (uitgesproken: Norr Horr) en staan er opnieuw alleen voor. langs eenzame wegen, rotswoestijn, zandwoestijn, helling op, helling af. De wind waait hevig. De Unimog kreunt, Eric kreunt nog luider. Schakelen kan niet meer. Telkens we voor een hindernis staan, legt Eric het contact af, zoekt de juiste versnelling, start de auto en hotsend en botsend overwinnen we (auto en mens) de vervaarlijke afdalingen, beklimmingen. Doodmoe bereiken we de 'stad' Loiyangalani. en stellen vast dat geen enkele faciliteit - in tegenstelling tot wat men ons vertelde - aanwezig is: geen elektriciteit, bank, internet, diesel. We vinden onderdak in Palm Shade Camp, tellen onze spaarzame shillings (was niet echt nodig, wisten we al), zitten in de puree. "Misschien willen de paters wel geld wisselen.", vertelt de manager. "Hij helpt af en toe een toerist in nood."
's Morgens wil de manager ons kost wat kost naar de missiepost begeleiden. Maar wij vinden dat we onze eigen boontjes kunnen doppen. Dik tegen de zin van de manager in vertrekken wij tweetjes naar de missiepost.
De Tanzaniaanse Pater Evarist verwelkomt ons. "We zitten met een probleempje." De pater laat ons plaats nemen en vraagt ons uit over alles en nog wat. Het duurt een hele poos voordat we het thema geld wisselen ter sprake kunnen brengen. De pater aarzelt: "Ik heb niet veel geld in huis." en iets stiller: "Ik stop af en toe arme mensen iets toe." We krijgen niet echt antwoord op onze vraag. Vooraleer we kunnen reageren stelt de pater voor dat we onze intrek in de missiepost nemen. Prompt geeft hij ons een rondleiding in de compound. De missiepost is een pareltje: een groene oase midden in het woestijngebied. "Een mirakel.", wil de pater ons overtuigen. Buiten de omheining strekt het woestijngebied zich uit. "Net hier werd een warmwaterbron gevonden."
Na de rondleiding moeten we nog eventjes plaatsnemen. Hij schenkt ons een hemels koud biertje in! "Dankzij de solar kunnen we de hele missiepost (woning van paters, zusters, de school, het dispensarium.) van elektriciteit voorzien." De pater staat recht: "Ik ga de stam El Molo opzoeken. Wil je me vergezellen?" Voor we het goed en wel beseffen zijn we met de pater op stap.

Na een rit van een klein uurtje hotsen en botsen bereiken we El Molo, de kleinste stam van Kenia. De El Molo leven te midden de woestijn grenzend aan het Turkana meer. Het meer voorziet hen van vis en 'water'. Dit water is niet bepaald een zegen. Het bevat teveel zouten en tast hun beenderengestel aan. De Gabbra, een stam vanuit het noordoosten, rukt op naar het gebied van de El Molo. Ze willen omwille van de visvangst een doorgang naar het meer forceren. "De El Molo zijn zo zwak.", zucht de pater. "Ze laten zich overrompelen. Vreemde stammen nemen er een vrouw. Ze verloren zelfs hun eigen taal. Zelfs als krijgers staan ze zeer zwak. Ze vluchten naar het eiland in de rivier in de hoop dat de vijand het niet zal wagen om naar het eiland te zwemmen!"
De pater bezorgt de stam vers drinkwater vanuit de missiepost. De bewoners geven hem een hartelijk onthaal. Een man vraagt een persoonlijk onderonsje. De pater heeft voor iedereen een woordje. Een jongen van een jaar of veertien krijgt een veeg uit de pan. Waarom hangt hij in het dorp rond, terwijl zijn plaats, een paar kilometer verder, op de schoolbanken is? Verder bezoekt hij de zieken. Ook wij worden uitgenodigd om de ouden van dagen een bezoekje te brengen. Het alleroudste vrouwtje kijkt eventjes verbaasd op. Blanken op bezoek, zoiets is sensationeel. Het oude besje zit in haar hutje uit te drogen. Hier wacht ze haar dood af. Een jongere vrouw kan net zo min haar hut uit. Haar beenderengestel is volledig aangetast. "Voor hen kunnen we niets doen.", vertelt de pater. "Af en toe komt de zuster langs met wat medicijnen om de pijn te stillen."
Diep onder de indruk bereiken we de missiepost. Pater Evarist nodigt ons uit om een duik te nemen in het zwembad. "Must be heaven.", zucht Eric. "Een paradijs", corrigeert de pater, "een mirakel en ik weet waarover ik spreek. Och", zucht hij, "de verleiding is soms groot om hier tot de avond te blijven hangen." Een zalige plaats. Zo moeilijk te bevatten. Een paar meters verder begint het grote niets. woestijn, hoge temperaturen, ongenadige wind.

We trekken naar Lake Turkana. Zowat twintig jaar geleden bouwden de paters van Consolata een opslagruimte voor vis. We kijken vol verbazing naar de immense hoeveelheid vis. De El Molo drogen de vis in de zon. Ze wordt soort per soort opgeslagen. Eens de hoeveelheid een vrachtwagen kan vullen, huren ze er eentje vanuit Nairobi in. Deze vis wordt de hoofdstad verkocht. De winst wordt over het aantal deelnemende vissers verdeeld.
Om onze dag af te sluiten, gaan we de zonsondergang bekijken. Ondertussen steekt de pater de draak met 'de rijke toerist' die daags voordien een vliegtuig charterde, één avond in de lodge van Loiyangalani doorbracht en deze morgen reeds naar de beschaafde wereld terugvloog. Hij wijst een eiland aan. "Ook hier komt af en toe een 'rijke toerist' langs om één nachtje de eenzaamheid te ervaren." Hij lacht cynisch. "O ja, hier komen regelmatig toeristen langs."
De 'mobiele kliniek' rijdt uit en natuurlijk zijn ook wij van de partij. Voor het zover is, maken we kennis met de Italaanse zuster. Zij werkte voordien vijftien jaar in Somalië. "Een prachtig land!" De laatste vier jaar maakte ze er de oorlog mee. "Ook daar was het hard!!" De zuster neemt ons mee naar het dispensarium. Er zijn verbouwingswerken aan de gang. "Ik heb geijverd en geijverd voor mijn vloeren! Vroeger lag hier beton: het bloed droop erover en erin. Er was geen enkele manier om het te verwijderen. Het probleem van HIV is hier bijzonder actueel. Het kon zo echt niet verder.
Deze morgen werd een doodziek kind binnengebracht. Het ligt aan een infuus. De moeder lepelt het water op. Het kind schreit, het water loopt over zijn lijfje. De zuster neemt de lepel over. "Je moet het kind dwingen. Het lijdt aan dehydratatie." Het kind slikt. De moeder neemt het opnieuw over. De zuster heeft er geen goed oog in. De pater dient de H. Olie toe.
De zuster lijkt mentaal totaal op. Ze neemt ons mee naar de vernieuwde verloskamer. - "Basic." - en de medicijnenvoorraadkamer. Ze toont ons de 'inlandse medicijnen' waartegen zij een strijd voert. Een soort wortel. "Ze koken er thee van. Daarna voelen ze geen pijn meer. (het probleem blijft) Teveel thee kan nefast zijn." Van een andere soort wortel breken ze stukjes af en smeren het in de wonde. "De wonde droogt dan op - beweren ze. Dit kwam mee met een man die weken eerder gebeten werd door een hyena. Hier ging hij dood tengevolge hondsdolheid." Velen komen helaas véél te laat naar het dispensarium.
"De medicijnen zijn erg duur. Wij moeten ze aankopen in Nairobi. Ze moeten met het vliegtuig aangeleverd worden. De mensen hier moeten leren om iets te betalen!", de zuster spreekt op wanhopige toon. "Kijk we vragen 10- 20 schillings (10-20 eurocent)." Ze laat verstaan dat pater Evarist iets te vlug schulden kwijtscheld. "Wij worden ouder (de zusters bedoelt ze). We moeten aan de toekomst denken. Wij zijn missionarissen. Wij moeten niet betaald worden. Maar de jonge, inlandse verpleegster die wij opleiden, moeten betaald worden. Zij doen het voor hun levensonderhoud. In de toekomst moeten zij zeker zijn van een loon." De zuster ziet er doodmoe uit. Normaal gezien zal zij ons vergezellen, maar gezien de toestand van het zieke kind besluit ze om een inlandse zuster mee te sturen.
De mobiele kliniek is niet meer dan de oude defender van pater Evarist. Hij droomt luidop van een ingerichte auto, met koelkast voor de medicijnen, een comfortabel zitje voor de zwangere vrouwen. De patiënten zitten geduldig onder een afdakje te wachten. Privacy is een woord dat ze niet kennen. De verpleegster noteert de klachten en behandeling. Vaccineren kan momenteel niet. De koelkast die werkte op autobatterijen is gebroken. "We zoeken een oplossing."
Bij onze thuiskomst is het kind hoogstwaarschijnlijk dood. Een inlandse verpleegster is op weg naar de zuster om de vaststelling te doen. We zijn aangeslagen, maar wachten het verdict niet af. "Het leven is een mysterie.", zegt de pater enkel. We zoeken verkoeling in het zwembad. Hier kan je even de buitenwereld vergeten. maar het blijft wel hangen. Ons klein paradijsje op de compound . en ietsje verder op diezelfde compound spelen elke dag menselijke drama's af.
Bij valavond bezoeken we de Turkana. Ze leven in het dorp naast de missiepost. Binnen de paar minuten heb ik - gewoontegetrouw - twee, drie kinderen aan elk hand. Hun handjes grijpen me vast. Ze strelen en knijpen mijn armen. Het ene kind verdringt het andere, al dan niet met de nodige klappen. We trekken naar een volgende site. De pater stuurt de kinderen terug. Opnieuw heb ik zo'n dotje aan mijn hand. "Eric, wil je nog een kindje?", roep ik lachend in het Nederlands. Een vrouw praat luidruchtig met de pater. Hij wendt zich tot mij: "Je kan het kopen hoor. Ze zegt me als je haar betaalt, mag je het kind houden." De pater lacht. Hij is niet geshockeerd. Zo'n uitspraken is hij gewoon. Hij glimlacht fijntjes. Eric maakt er grapjes rond: "In elk land kopen we een kindje en we komen thuis met 34 kindjes. Dan hebben we wel een bus nodig." Lachen is natuurlijk ook een manier om met problemen om te gaan. 't Blijft een feit dat armoe moeders drijft tot onbegrijpelijke daden.
We zitten nog steeds aan de ontbijttafel wanneer de zuster langskomt. Het kind is dood. De zuster is furieus. "Ik ben boos. Ook op de moeder. Ik zag haar twee dagen voordien en smeekte haar om het kind de volgende dag binnen de brengen. Ze heeft het niet gedaan! Ze heeft nochtans vier kinderen. Met de vorige heeft ze het zo goed gedaan. Ik kan niet begrijpen waarom ze het kind van de borst afnam! Nee, ze gaf dit.", wijzend op een 25 cl brikje melk. "Nu een beetje en dan een beetje. en die warmte. De melk was verdorven! Waarom gaf ze melk i.p.v. ezels- of geitenmelk?" De stem van de zuster klinkt wanhopig. "Tja, als de moeder geen melk heeft. De droogte is soms zo erg dat ook dieren geen melk kunnen geven. Dat is een andere kwestie. Toen ze het kind binnenbracht waren de voetjes stijf. Ze voelden aan als rots. De ogen draaiden weg. Ik ben boos, boos.", roept de zuster en ze laat er wanhopig op volgen: "We zijn er toch om levens te redden! Niet om ze dood te laten gaan!"
"Ze zuster heeft het erg hard. Ze lijdt onder het verlies.", weet ik de pater enkel te vertellen. "Ja", beaamt hij, "de zusters hebben het erg hard. Soms kan je gewoonweg niets doen. De man met de hyenabeet bijvoorbeeld. Na een maand was hij schijnbaar genezen. Dan komt hij hier binnen, wordt gek in het hoofd, gaat tekeer als een razende hond. Rabiës. Wij hadden geen medicijn tegen hondsdolheid. De zusters verdoofden hem. Op de duur haalde niets meer uit. We zagen als enige oplossing om hem in een kamer op te sluiten. Twee dagen ging hij tekeer en dan sta je voor die deur en kan je niets of niets doen. Wachten tot hij doodgaat."
Het is vandaag Wouters verjaardag. We willen hem vandaag kost wat kost opbellen en het is méér dan drie weken geleden dat we met het thuisfront contact hadden. (geen enkele mogelijkheid tot communicatie in het zuiden van Ethiopië of noord Kenia - de pater beschikt enkel over radioverbinding. Hij beschikt over een computer, maar het internetten is quasi onhaalbaar). We willen vertrekken naar de volgende stad, waar we kunnen internetten, telefoneren. Wat we op dit moment niet weten, is dat ook daar het telefoneren niet zal lukken.
Het afscheid van pater Evarist valt zwaar. "Blijf," zegt hij, "maar als je jouw familie wil contacteren." Hij hoopt ons tijdens het verblijf in Kenia nog tegen het lijf te lopen. Wij moeten in Nairobi naar immigratie. Ook hij moet zich binnen de veertien dagen melden om zijn werkvergunning te verlengen. Misschien zien we elkaar bij de paters van Consolata in Nairobi.
We hebben opnieuw een ongenadige 234 km (ongeveer 10u rijden) voor de boeg. "Je haalt het wel voor het donker.", spreekt de pater ons bemoedigend toe. We nemen nogmaals afscheid en vertrekken. on the road again. Ondertussen wacht de pater opnieuw een moeilijke opdracht. Hij moet de ouders van een veertienjarige jongen melden dat hun zoon verdronken is. De jongen was een paar dorpen verderop aan het vissen op een inlandse boot, een paar aan elkaar gebonden boomstammen. Een golf sloeg over de boomstammen en de jongen verloor het evenwicht.
Ria Anyca
Lees meer informatie over De Katholieke parochie van Loiyangalani
Lees verder: Reisverslag 9 - Kenia - DEEL 2 >>
© 2005-2007 Deze tekst en al de teksten op deze website zijn eigendom van Ria Anyca. Gelieve toestemming te vragen voor verspreiding.