Reisverslagen

Gabon: deel 2

Waar was ik gebleven? Franceville, Muanda? Omwille van de regen laten we Muanda voor wat het is. We trotseren meteen de 200 km rotslechte 'route economique' tot in Lastourville of tenminste dat was de bedoeling. Een vijfhonderd meter voor Lastourville gaat het mis. Eric hoort een 'krak' en de auto doet het niet meer. Hij heeft nog net de tijd om de auto een beetje van de weg af te sturen. We weten het meteen: het heeft te maken met de ontkoppeling. De ontkoppelingspedaal doet het, schakelen kan, rijden niet. We zijn er niet gerust in. Na een volledige nazicht halen we er een mecanicien bij. Onze vrees wordt bewaarheid. De ontkoppelingsschijf is naar de knoppen. Morgen komt de mecanicien terug om het onderdeel te demonteren. Zaterdagavond, we staan langs de gevaarlijke, 'grote' verbindingsweg tussen Muanda en Lastourville. met uitzicht op de stad. Vijfhonderd meters verder stonden we veilig op een plein. 't kan verkeren.

Om zeven uur zou de mecanicien langskomen. 't Wordt acht uur. De schijf zelf is tot onze opluchting intact. De 'garni' daarentegen is totaal verpulverd. "Geen probleem.", beweert onze mecanicien Moussa. Hij neemt de schijf mee om te reinigen en de garni te vervangen. Gisterenavond kregen we een lift van een Senegalees. Hij komt de stand van zaken opnemen. Razendsnel verdwijnt hij en in geen tijd staat hij terug bij ons met Moussa en de gereinigde schijf. "In Lastourville kunnen we de garni niet vervangen. Je moet naar Muanda.", beweert Moussa onverwachts. De Senegalees biedt ons aan om onmiddellijk te rijden tegen de ongegeneerde prijs van 100 000 CFA, een kleine 160 euro!! We weigeren. Moussa lacht: "Je zal je prijs toch een beetje moeten zakken!" De Senegalees weigert. Ik vraag de hulpmecanicien hoeveel de mensen hier betalen om naar Muanda te rijden. Grinnikend zegt hij, in bijzijn van de Senegalees: "4000 CFA per rit, heen en terug maakt 8000 CFA voor één persoon." "Hoe kunnen wij aan de garni raken?", vragen we Moussa. Hij overlegt met de Senegalees. "Misschien bij de forestiers?" Prompt besluit de Senegalees dat hij ons gratis zal rijden, zo'n 40 km. Daar werkt ook een Belg. We zijn weigerachtig. We snappen de bedoelingen van Senegalees niet. Zit er een addertje onder het gras? Het is trouwens ook zondag. De forestiers zullen niet werken, zeker niet al het Europeanen zijn. We laten ons toch overhalen.

De blanke forestiers bouwen een feestje. Een Waalse Belg komt polshoogte nemen. Hij is de verantwoordelijke voor de ontginning van dit gedeelte van het woud. We vernemen meteen dat we op het verkeerde ogenblik binnenvallen. De boodschap luidt: kom morgenochtend nog eens langs. Dan kunnen we zien of we jullie kunnen helpen. Nee, garantie kunnen we niet geven." We komen van een kale thuis.

De Senegalees chanteert ons. "Zie je: dit is een landgenoot en hij spreekt niet eens jullie taal. De mecaniciens hier beweren dat zij niet over dit materiaal beschikken. Ik breng jullie nog vandaag naar Muanda. Daar werken ze tenminste op zondag. Doe je het niet, dan verlies je de schijf." "De schijf verliezen we niet, wel tijd.", repliceer ik. We besluiten om morgen een bushtaxi te nemen, met het risico dat we bij de Senegalees terecht komen, maar dan wel tegen het officiële tarief van 4000 CFA.

Maandag, vijf uur 's morgens. Rillend word ik wakker. Ik trek het deken over me. Het blijft niet bij rillen. Mijn tanden klapperen. Ik ben bang dat ik mijn tong afbijt. Ik lig te schudden en beven. Mijn nekwervels en rug doen er pijn van. Ik kan mijn spieren niet onder bedwang houden. Eric wordt van het gedaver wakker. Hij dekt me opnieuw toe met het deken, badjassen. maar niets helpt. Ik heb het ijselijk koud. Eric vraagt me of ik koorts heb. Ik ontken. Hij maakt thee om mij op te warmen. Het klapperen en beven maakt het mij bijzonder moeilijk om te drinken, maar de warme drank doet me deugd. "Heb je koorts?", vraagt Eric nogmaals met aandrang. Ik ontken. "Ik heb het alleen maar ijselijk koud." Ik lig naast het open raam en de temperatuur is flink gezakt. "Misschien ben je onderkoeld.", weifelt Eric. De binnentemperatuur bedraagt echter nog steeds een 25 graden. "Kan je nu onderkoelen bij een temperatuur van 25 graden?", vragen we ons af. Eric verplicht me om mijn temperatuur op te nemen. Veertig graden! Ik schrik me rot. Het voelt niet aan als koorts! Ik ben bij de pinken, kan redeneren, bewegen, opzitten . voor zover het schudden en beven me niet hinderen. Ik slik twee perdolans. "Je hebt malaria.", vreest Eric. Hij wil meteen naar het hospitaal vertrekken. Ik weiger. "Misschien ben ik gewoon onderkoeld of oververmoeid of heb ik een griepje. Laat ons afwachten en kijken of de koorts zakt." Twee uur later is de koorts nauwelijks ééns graadje gedaald. Ik neem nog een perdolan. maar de koorts zakt geen tiende van een graad. Ondertussen verdiept Eric zich in de lectuur van alle mogelijke tropische ziekten. "Malaria.", blijft zijn diagnose. Hij schuift de bladeren onder mijn neus. Ik kan lezen, redeneren. mijn 39 graden voelen niet aan als koorts. Nochtans steekt een flinke hoofdpijn op. Eén alinea trekt mijn aandacht: "Ondanks het feit dat de koorts hoog kan oplopen, voelt het in het begin niet altijd aan als koorts. Nochtans is het belangrijk om zo vroeg mogelijk in te grijpen. De eerste 46 uur zijn cruciaal."

Tot de middag blijf ik de malaria ontkennen. De koorts zakt niet en ik voel me met de minuut ellendiger en ellendiger. Eric gaat op zoek naar een taxi. Helaas staan we een eind van het centrum af en zelden passeert er eentje. Hij stopt een auto en vraagt de bestuurder om ons een taxi te sturen. "Laat maar. Ik breng jullie wel naar het ziekenhuis." In een paar uur tijd sta ik nog nauwelijks op mijn benen. Ik kan de camper niet zelfstandig verlaten. Eric moet me ondersteunen.

Het hospitaal lijkt herschapen in één groot bouwwerf. In één armtierige vleugel wordt nog gewerkt. Tien oneindig lange meters moet ik overbruggen vooraleer ik de wachtzaal kan bereiken. Enkele verplegers rusten uit in gammele rolstoelen. "Olala, la blanche est malade. Vlug, vlug, zet je neer." Ze wijzen mij een al even gammele bank aan. Ik kan nauwelijks rechtop zitten. Ze roepen: "Is er nog iemand binnen?" Een, vermoedelijk, hoofdverpleegster steekt haar hoofd door de deur. "Kom maar binnen." Ik doe moeizaam mijn verhaal. "Het labo is gesloten. De laborant werkt enkel 's morgens. Maar dat is het wat ik denk: de palu. Je hebt palu. Ik denk dat we je hier in observatie houden. Ze haalt een infuus boven: een flesje om de koorts te zakken en een fles boordevol glucose en kinine. "Daar wordt je vlug beter van. Als je de infuus wil." "Neem het maar vlug.", maant Eric me aan. "Negen op tien ben je direct een ander mens." Ik ga akkoord. Luidkeels roept de vrouw om een verpleger. "Mevrouw blijft hier. We hebben een bed nodig." "Ja, ik zal een zéér goed bed zoeken voor mevrouw. Zij moet natuurlijk een goed bed krijgen." Ja, ja. tegenover blank heeft men hier toch vaak een dubbele houding. Nu heeft blank recht op een beter bed dan zwart. Maakt deze keer niet veel uit, want onze verpleger komt terug met de boodschap: "Er is geen enkel bed meer vrij." "Dan moeten we het hier doen.", zucht de hoofdverpleegster. Ik mag plaatsnemen op een smerige dokterstafel. De naalden zijn gelukkig steriel. Ze komen uit verzegelde pakken en worden later weggegooid. Ik ben als de dood voor prikken. Mijn adders liggen bloot, maar springen steeds weg als men een naald probeert te prikken. De verpleegster ziet mijn angst en ze begint luidop te lachen. "La blanche a peur!" In de gang wordt de boodschap lachend herhaald. "La blanche a peur! La blanche a peur!" "De blanken kunnen o zo weinig verdragen.", vervolgt de verpleegster lachend. Boos antwoord ik dat ik bang ben en niet alle blanken bang zijn voor een prik. Innerlijk stoor ik me geweldig aan de term "la blanche". Telkens opnieuw schieten fragmenten van een liedje van Willem Vermandere door mijn hoofd: "Blanche, Blanche . Blanche en z'n perd." Het fragment laat me niet los. Nee, daarom stoort de term 'la blanche' me niet. Ik voel me gecatalogeerd. Zij, de zwarten, zijn één groep, la blanche de buitenstaander. Het voelt aan als discriminatie. wellicht in veel gevallen niet zo bedoeld. Anderzijds, probeer hier maar iemand aan te spreken met 'le noir' of 'regardez les noirs!'. Gegarandeerd krijg je op je kop. In 'la blanche' zien zij geen graten. je bent immers toch wit, nietwaar! Ondertussen heeft ze geprikt. en moet het prikken overdoen. De ene hand lukt niet meer. Dan maar in de andere hand prikken.

De paracetamol vliegt door het infuus. De hoofdpijn trekt weg. De glucose daarentegen druppelt tergend traag. Ik weet het meteen. het is een zaak van uren en uren. Opnieuw roept de verpleegster één van de verplegers op de gang. "Vitaminen." "De vitaminen zijn uit." Ze voegen dan maar een ander spuitje bij de glucose. "De behandeling duurt drie dagen. Zal je zolang hier blijven?" "Neen.", is mijn prompte antwoord. Op deze tafel, zeker?, denk ik erbij, No way! "Na de infuus is de behandeling nog niet voorbij. Je moet nog drie dagen lang pillen slikken: acht per dag, vier gele, vier witte." "Acht pillen?!" Snappen ze niet dat ik braakneigingen krijg als ik moet slikken?

Eric vraagt de hoofdverpleegster of ze geen andere patiënten moet opzoeken. "Welke?", vraagt ze, "Iedereen komt 's morgens langs. Zo af en toe zie je er eentje. Waarom ben jij niet eerder gekomen? Wij werken dag en nacht." "Omdat ik dacht dat het vanzelf zou overgaan." "De palu gaat niet vanzelf weg.", repliceert ze.

Onverwachts daagt toch nog een patiënt op. Geen probleem. Het spreekuur gaat gewoonweg door waar ik bij ben. Hij moet zijn probleem tonen. zijn broek moet eventjes uit. Hij is gegeneerd. Ik ook. Ik draai me gehinderd door het infuus moeizaam om en staar naar de muur waar de spinnen gezellig van boven naar beneden crossen. Ik hoor de verpleegster foeteren. Hij trekt zijn broek niet vlug genoeg uit. De jongeman zit met zijn rug naar me toe en weet natuurlijk niet dat ik mijn hoofd afwendde. Privacy bestaat hier niet. Dankzij de open deur kan iedereen in de gang gezellig meeluisteren. In de spreekkamer zelf. als er geen plaats is, is er geen plaats nietwaar. maar dat is dan weer iets dat zij een blanke niet zouden aandoen.

De patiënt werkt niet voldoende mee. volgens de verpleegsters, want er is een tweede bijgekomen. Ze blaffen hem af en hij mag gaan . zonder hulp.

De hoofdverpleegster neemt afscheid. Haar dienst zit erop. De twee verpleegsters die haar vervangen, nemen nauwelijks de moeite om met me te praten. Na een paar uur is nauwelijks een tiende van de glucose doorgedruppeld. Eric prutst wat aan de knop om het tempo op te drijven. Ik spoor hem aan om wat te gaan wandelen, iets te eten voor hem te zoeken en over een paar uur terug te keren.

Na de paracetamol voelde ik me beduidend beter. Nu voel ik mij met de moment slechter en slechter. De koorts komt terug. Na vijf uur is de glucose erdoor. Voordat ik de kans krijg om iets te zeggen trekt een verpleegster de naald uit mijn hand. "Je moet op de gang wachten totdat je man een taxi vindt." Ik blijf treuzelen - ik kan al bij al toch nauwelijks op mijn benen staan - totdat de tweede verpleegster binnenkomt. "Wat moet ik doen? De koorts loopt terug op." "Ik zal een nieuw infuus steken." Ik weifel. Eric is reeds op zoek naar een taxi en ik haat het om een nieuwe naald te steken. Zij geeft me dan maar een paar tabletten paracetamol mee. Over vier dagen moet ik opnieuw op onderzoek. Dan moet de malaria genezen zijn.

De volgende morgen moet ik aan de malariatabletten beginnen en . veel eten. Ik krijg nauwelijks een hap binnen. Bovendien smaakt alles rotslecht.

Medisch dagboek:

Nacht 1:

Diarree

Nacht 2:

Ik sluit de ogen en zie allemaal beelden voor me. Ze flitsen door elkaar: een schuurdeur vliegt de lucht in, gekleurde vlekken vormen figuren: mensen, beelden, voorwerpen. De felle beelden flitsen door elkaar. Ik trek mijn ogen wijd open. De beelden zijn weg. Ik sluit mijn ogen. ze zijn er opnieuw, flitsend, té vermoeiend voor mijn vermoeide lijf. Ik sukkel in slaap. Ik zie mezelf liggen. Plots zoef ik de lucht in om met één plof op de grond neer te storten. Ik heb nachtmerries of misschien wel hallucinaties. Vreemd, maar waar, ik besef dat ik slaap en wil wakker worden, wat me niet lukt. Ik ben angstig en wil ontwaken. Ik poog mijn ogen open te trekken, wat me uiteindelijk na veel verwoede pogingen lukt. Uitgeput lig ik wakker, te staren naar het plafond om daarna weer in slaap te vallen en te prooi te vallen aan de hallucinante beelden.

Nacht 3:

Ik slaap en voel hoe mijn hart tekeer gaat. Het bonst zo hard dat ik vrees dat het hart mijn lichaam zal verlaten. Ik ben bang. Ik voel de grootte van mijn hart. Het bonzen is ondraaglijk. Aan dat tempo ga ik kapot. Ik slaap en weet dat ik wakker moet worden. Ik probeer te ontwaken. Het lukt me niet. Het bonzen gaat ongenadig door. Ik ben angstig. Mijn hart zal het begeven. Met een laatste inspanning trek ik mijn ogen open. Ik voel de grootte van mijn hart. Ik zie het doorheen mijn huid bonzen. Ik concentreer me op mijn ademhaling. Een uur later heb ik het bonzen min of meer onder controle. Het is midden in de nacht. Ik ben bang om opnieuw in te slapen. Ik vecht tegen de slaap. Uitgeput verval ik in hazentukjes.

Dag 4:

Nu zou alle palu moeten dood zijn. Ik zou genezen moeten zijn. Ik voel me zo slap als een vod. Op naar het ziekenhuis voor de medische controle. Het is morgen en de gang zit stampvol. Ik ben nummer vijfentwintig of zo. Ik kan nauwelijks op het bankje rechtop zitten. Na een patiënt of drie roept de hoofdverpleegster van dienst: "Jullie moeten allemaal verhuizen naar het eind van de gang. Daar zullen jullie verder geholpen worden." Ik blijf over met een tiental patiënten. Daarvan jaagt ze er nog eens een zevental weg. Ze verdwijnt heel eventjes, totdat de morrende massa verdwenen is. Dan roept ze mij. Verdwaasd blijf ik zitten. De drie andere patiënten zijn nog voor mij. "Kom", roept ze voor de derde keer en voegt er ditmaal autoritair aan toe: "La blanche." Bedekte voorkeursbehandeling voor blank? "Wat is het probleem?" "Als je alles gedaan hebt, wat we zegden, dan ben je genezen.", is de diagnose. Het probleem is dat ik me allesbehalve genezen voel. Ik kan nauwelijks eten. Eric moet me ondersteunen bij het stappen. Kortom, ik raak met moeite het bed uit. "Dat gebeurt meer. Na de palu hebben de patiënten dikwijls een tekort aan vitaminen. Ik schrijf je vitaminen voor, drie dagen lang innemen en dan voel je je een ander mens. Zoniet, moet je over drie dagen nog maar eens terugkeren." Ik wil een bloedonderzoek, maar dat is volgens de dame volstrekt overbodig. Ik ben genezen. Het is een kwestie van tijd.

Zaterdag glijdt voorbij. het wordt zondag. ik heb elke middag lichte koorts, zo'n graad of zevenendertig en een half. Maar ik ben genezen. Ik kan al zelfstandig stappen, héél traag en liefst niet te lang. Het wordt maandag. Voor de eerste keer heb ik vermoedelijk geen koorts. vergat ze wel op de middag op te nemen.

Dinsdag. Ik zou sterk genoeg moeten zijn om de tocht naar Muanda aan te vatten. We vertrekken om zes uur 's morgens. Ik heb rugpijn. Ik vermoed omdat ik té lang, een weeklang, in bed lag. Het minibusje zit stampvol. Denk nooit: alle plaatsen zijn volzet. er kan nog altijd eentje bij. Ook het dak wordt benut. Metershoge bagage wordt erop gestapeld. We zijn nog geen vijfhonderd meters verder of wat ik dacht, wordt bewaarheid. Ik zit gepraamd tussen Eric en een zwarte medereiziger. De schokdempers zijn stuk en bij iedere kuil, en er zijn er heel veel, vlieg ik een beetje de lucht in en kom ik met mijn linkerbil met een stuk metaal, verdoezeld door iets wat voor een kus moet doorgaan, in aanraking. Gevolgen? 's Anderendaags raak ik de trap van de camper niet meer op of af.

Aankomst rond een uur of tien. De uitbater wist van onze komst, maar is nergens te vinden. Zijn broertje zegt een grote mond op, maar we worden niet geholpen. Er worden spelletjes gespeeld. Nee, de Afrikaanse manier van redeneren kunnen we niet altijd volgen. Hij zal ons helpen, verdwijnt met de schijf, daagt opnieuw op, maar niets is veranderd. Hij duikt een taxi in en verdwijnt voor een paar uur. Zijn winkel blijft onbewaakt open. We hebben het raden ernaar. De schijf staat bij ons. de garni zal niet uit de hemel vallen. Bij zijn thuiskomst krijgen wij enkel een verwarde uitleg. Ja, hij zal ons helpen, maar het is moeilijk. De machine om de garni te fixeren is onvindbaar. Iemand anders kan de klus klaren, maar is te duur. Hij werkt aan een oplossing. Hij trekt zich terug in iets wat voor het bureaugedeelte moet doorgaan en zit daar te zitten. Een andere klant beweert dat hij een origineel stuk heeft. "Even geduld. Loop niet weg over vijf minuten ben ik terug." Hij keert terug een half uur later, mét een origineel stuk. helaas van een kleiner model unimog. Ik zoek opnieuw het broertje op. "Deze man kan ons helpen. Hij kent iemand om de garni te fixeren." Broertje schiet in gang. "Het fixeren zal vier uur duren." We zuchten: twintig minuten had de eigenaar over de telefoon verteld en we wachten reeds een uur of drie. Hij vertrekt met de schijf, wij om iets te eten. "Ik zal zeggen dat ze deze klus moeten voornemen." "Doe dat.", manen we hem aan.

We eten lekker. Het smaakt me en hoewel ik slechts een vierde van mijn bord leegeet, is dit de beste en de meest uitgebreide maaltijd sinds een dag of tien. Een half uur later voel ik me doodziek. Zo zal het dagenlang doorgaan: met smaak eten en daarna voel ik me urenlang ziek.

We trekken opnieuw naar de zaak. Ditmaal verwelkomt de eigenaar ons. met de nodige verontschuldigingen. Het was al laat en hij dacht dat we niet meer zouden langskomen. Nonsens natuurlijk. Hij weet best hoelang zo'n busrit duurt. Broertje wordt tot spoed aangemoedigd en surprise. binnen het kwartier wordt de schijf mét garni afgeleverd.

Terug naar Lastourville. het eerstvolgend voertuig weigeren we, mits -wat ik noem - beestenvervoer. We moeten plaatsnemen in de open laadbak. In de laadbak worden zowel mensen als goederen 'gestapeld'. Aan de buitenkant van de laadbak hangen overal mensen aan. Het rode stof waait doorheen de massa. Ze moeten zich vasthouden terwijl ze de schokken van de kuilen moeten opvangen. drie, vier uur aan een stuk.

Uren en héél wat Afrikaanse toestanden later kunnen we vertrekken. We bereiken Lastourville uren nadat de duisternis is ingetreden. Moussa kunnen we niet meer verwittigen. Weer een dag verloren.

De volgende morgen vallen bakken regen uit de lucht. Pech, de weg, de aarde onder onze auto wordt in een modderpoel herschapen. Na een paar uur klaart het op. Eric gaat op stap om Moussa te verwittigen. Daarna graaft hij een geul onder de auto om het water af te voeren. Na drie uur daagt Moussa op. Hij bedankt Eric voor de gedane klus. Een paar uur later is de klus geklaard. We kunnen opnieuw rijden! We rekenen af en zoeken onmiddellijk de parochie op en mogen daar een paar dagen in een aangename omgeving tot rust komen.

Ik voel me constant moe, slaap de halve dagen en beweer elke dag dat ik me beter voel. Waarom laat ik me zo gaan?, vraag ik me dagelijks af. Ik zou toch genezen moeten zijn. Energie ontbreekt. Ik maak geen plannen meer, neem nauwelijks initiatief. Stiekem maak ik me wel zorgen om de latente koorts. Elke namiddag heb ik een lichte koorts, 37 en een half, nauwelijks het spreken waard. maar toch.

De zaterdag voor Pasen vertrekken we richting Mitzic. Gezien mijn conditie zullen we opnieuw een paar dagen op de parochie proberen te logeren. We moeten doorheen het regenwoud. Ondanks dit een hoofdweg, zeg maar de enige verbindingsweg, met eveneens de hoofdstad is dit niet veel meer dan een track. We raken enkel tot halfweg. We overnachten op een kampement, nauwelijks twee huizen groot, twee gezinnen. De nacht breekt aan en we horen de geluiden vanuit het woud: krijsende apen, olifanten. De dieren laten zich echter niet makkelijk zien. Ze worden hier flink bejaagd. In de plaatselijke restaurantjes serveert men hoofdzakelijk 'la viande de brousse'. Daarmee bedoelen ze meestal wild varken. Krokodil, antiloop, aap, varaan. ontbreken net zo min op het menu.

's Morgens vervolgen we onze weg. Helling af. We hebben een te grote snelheid. Schakelen lukt niet. De eerste bocht kunnen we nog net nemen, maar onze snelheid loopt nog hoger op. Eric remt, maar de remmen weigeren dienst. Dan maar de handrem. De unimog wordt onmiddellijk afgeremd, maar we maken een gevaarlijke schuiver. De auto slaat rechts en rijdt recht op een afgrond af. Eric stuurt bij. De auto maakt slagzij. Ik vrees dat hij kantelt. We rijden recht op de bergwand af. Mijn hart staat bijna stil van de schrik. Een kleine ruk en Eric heeft de auto opnieuw onder controle. Ik beef en sidder over het ganse lijf. Ongelofelijk hoe Eric deze situatie nog kon redden. Grace à Dieu? "Neen, dit is het praktische nut van een cursus defensief rijden.", is Eric's verklaring.

Na de stop in Mitzic reizen we verder naar Oyem. in één ruk. want soms doet de starter het wel, soms niet. De pannes lijken niet te stoppen. In Oyem vinden we onderdak bij de Salesianen. De priester vertelt ons dat we vlug de nonnetjes moeten opzoeken. Daar is immers zuster Lien. Zij is een Vlaamse. Kunnen we lekker in onze eigen taal mee praten." Ik beloof haar op te zoeken, nadat ik een beetje gerust heb. "Ik voel me opnieuw zo moe. Malaria." Hij knikt begrijpend. "Dat vraagt tijd."

Ik voel me in uitstekende conditie bij het bezoek aan de kloosterlinge. "Ik heet eigenlijk Leen, maar iedereen hier noemt me Lien.", verklaart ze. Zij is een jonge kloosterlinge, een jaar of 45. Ze heeft een tijdlang in Kortrijk gewerkt. "In België heb ik het gevoel dat het moeilijk is om in deze tijd als religieuze door het leven te gaan. Ik had het altijd maar over je kan hier niet leven op de maat van de mensen. Iedereen lachte altijd met mijn uitspraak. Ik dacht ook zo: als ik in mijn korte bestaan hier niets wezenlijks kan veranderen, laat mij dan maar leven bij de allerarmsten."

De volgende dag wil ik de school bezoeken. Ik voel me bij toverslag opnieuw rotslecht. Ik heb gelukkig geen koorts. We bezoeken de pottenbakkerij en het naaiatelier. Ik voel me steeds minder gelukkig in mijn vel. Ik verontschuldig me bij de rondleidende zuster en trek opnieuw naar de camper. Ik heb 39 graden koorts. Ik slik perdolan en na een paar uur is de koorts gezakt. Later op de dag ontmoet ik de priester. Hij wil me naar het hospitaal brengen. We spreken af over een half uur, maar hij wordt weggeroepen en komt pas 's avonds langs. Hij wil me opnieuw wegbrengen, maar ik voel me beter. De volgende dag kom ik uiteindelijk toch in het ziekenhuis terecht. met het reeds gekend resultaat: teveel palu in het bloed, twee soorten, véél te véél van elke soort.

Na de therapie van vijf dagen voel ik me nog zwakjes, maar duidelijk anders en beter dan na de eerste aanval. Ik ben nog een dag of tien vermoeid, maar voel me elke dag energieker.

Op de valreep verlaten we Oyem om de grens over te steken.

En de wonde op mijn been? Die geneest dan toch na al die maanden. na een geheimzinnige pendelsessie. Meer details. ooit later. En de fourou? Och, vertel ik ooit wel eens. misschien in het boek. Afwachten maar.

Ria Anyca

Lees verder: Reisverslag 27 - Kameroen >>