Het lijkt erop dat we reeds een pooslang de doos van Pandora met ons meeslepen. Hier in Gabon gaat het deksel er langzaam af. meestal souveniertjes vanuit Angola. We worden geconfronteerd met de zoveelste panne en weer is er geen vervangstuk voorhanden. "Il faut allez à." Iedereen heeft dezelfde spullen nodig, maar niets is voorhanden. Tweehonderd kilometer over rotslechte wegen op en neer rijden om een vervangstuk op te halen, lijkt hier de doodnormaalste zaak. Ach, de mensen zijn hier zo braaf. Eric zakt twee dagen op een rij door zijn benen. daarna verdwijnt zijn ziekte even mysterieus als ze gekomen is. "Grace à Dieu.", horen we dagelijks. Ikzelf val ook ziek. "Grace à Dieu?", vraag ik me af. Geen nood: "Jezus zal je ziekte wegnemen.", vertelt een man me met veel overtuiging. Jezus wacht er wel veertien dagen mee en dan voel ik me nog zo slap als een vod. Over de wonde op mijn been - die na twee maand nog steeds niet genezen is, verneem ik nieuws. niet het nieuws waarop ik zat te wachten. Daarnaast maken we kennis met de fourou, helaas geen mythisch maar wel een onooglijk klein realistisch wezen. De fourou maakt ons gek. Nee, reizen is niet langer een lachertje. Pas na 23 dagen Gabon heb ik de moed om opnieuw de laptop boven te halen.
Een dorp in zicht. Het schittert in de zon. Hebben we nooit eerder gezien: een dorp volledig opgetrokken uit golfplaten, muren, daken, deuren. kortom de golfplaat is alomtegenwoordig. "Eindelijk, Gabon", zuchten we. Het is reeds na vier uur. Na de vermoeiende rit en de onverkwikkende discussies met de Brazza Congolese, corrupte politie zijn we doodop. Buiten een aantal sporen liggen er geen wegen. Op de kaart kunnen we niet voortgaan. We vragen de weg en krijgen meteen een domper. Lefkoni, de administratieve grensstad ligt op zowat twee uur rijden. De weg is daar ergens rechts, maar onze auto is te groot. Wij kunnen er niet door. Rechts dus, daar ergens onbepaald voor de heuvels moeten we links afslaan. "Staat er een richtingaanwijzer?" "Niet echt", is het ontwijkende antwoord. We rijden tot buiten het dorp en het is meteen mis: meerdere sporen rechts, meerdere links. Een vriendelijke vrouw helpt ons uit de nood. "Nee, nee, het is de moeite niet om in te stappen." Ze loopt samen met mij zowat een kilometertje voor de auto uit tot bij een tweesprong. "Altijd rechtdoor.", benadrukt ze. "Nooit twijfelen, altijd rechtdoor. het is een lange rit. Dan kom je op een kruispunt en kies je rechts, niet links, rechts. dan kom je uit in Lefkoni. Altijd rechtdoor. het duurt zéér lang voor je op het kruispunt komt, dan rechts." Over hoeveel kilometers het gaat, weet ze niet. "Het duurt lang." We bedanken en rijden. zeventig kilometers ver door een anderhalve meter hoge grasveld, zover we kunnen kijken, rechts, links, voor ons. Het spoor is nauwelijks zichtbaar. Eric sakkert. De onzekerheid knaagt: zitten we goed? Er is geen weg terug. Terugkeren is terug naar af. Het spoor is vaag. sinds weken onbereden, maar het is min of meer een spoor. Een nieuw spoor trekken betekent risico nemen met een onzekere uitkomst. We rijden en blijven rijden totdat we op iets botsen dat wel ergens lijkt op een weg met keuzemogelijkheid van links en rechts. We kiezen rechts.
De duisternis valt reeds in. Voor alle zekerheid zoeken we meteen het immigratiekantoor op om onze aanwezigheid te registreren, zoniet riskeren we eventueel grote problemen, des te meer daar we over geen visa beschikken. Het vriendelijk onthaal staat in contrast met het buurland. "Waarom hebben jullie geen visa?" De dame knikt begrijpend. "Een ogenblikje geduld. Ik moet mijn baas opbellen. Over vijf minuutjes staat hij hier. Hij is de enige die de visa kan toekennen. Nee, nee, jullie hoeven niet te wachten tot morgenochtend. Wij werken 24 op 24 uur." Nauwelijks vijf minuten later staat de grote baas er inderdaad. De dame stelt ons voor en doet ons verhaal. "Dan brengen we de visa maar vlug in orde hé!", is zijn reactie. We hebben onvoldoende CFA bij. "Geld wisselen kan hier niet. Maar dan rekenen we gewoonweg om naar dollar." Wij doen er in elk geval een koopje mee. Na de afhandeling van de papieren stelt de dame voor dat wij op het domein van de immigratie logeren. "Ruimte genoeg en veiliger kan je niet staan." Daarna wil ze toch graag een kijkje in de auto nemen. "Gewoon uit nieuwsgierigheid." Eens te meer zijn de ah's en de oh's niet uit de lucht.
Het weer is druilerig. Lefkoni is een langgerekte stad en lijkt allesbehalve aangenaam vertoeven. Reden genoeg om onze tocht verder te zetten naar Franceville. daar zou alles voorhanden zijn. op de eerste plaats een ATM toestel waar je met de visakaart terecht kan. Franceville valt tegen. Ik kan Franceville niet beter omschrijven dan met het woord: plattelandsstad. Franceville is enorm uitgestrekt. De afstanden zijn groot en niet alleen omdat de stad in de heuvels is gelegen. Het administratieve centrum heeft weinig te maken met een centrum. De hoge gebouwen liggen telkens op een ruime afstand van elkaar. Te voet wandelen van de ene bank naar de andere vraagt tussen een kwartier en een halfuur. Waar je toch een beetje van een centrum kan praten is de markt. dan weer gelegen op zo'n pakweg vijf kilometer van de banken. Ruimte is er dus méér of voldoende. De afstanden weinig praktisch. De taxi's doen hier gouden zaken. Gezellig kan je Franceville nauwelijks noemen.
Eric is humeurig. Hij voelt zich niet lekker. Dan komt de aap uit de mouw: hij zakt letterlijk door zijn benen. Hij is lijkwit. Met moeite raakt hij het bed in. Zijn bloeddruk is altijd aan de hoge kant, nu meten we enkel 10 - 6. Alarmerend. De volgende morgen voelt Eric zich opnieuw kiplekker. Internetten staat op het programma. Ditmaal hou ik het been stijf. Ik ben er niet gerust in. De auto blijft op stal. We nemen een taxi. Weer loopt het mis. In het internetcafé zakt Eric voor de tweede keer door de benen. Zijn gezicht ziet er grauw uit. De eigenaar wil Eric onmiddellijk naar het hospitaal brengen. Hij weigert en wil enkel terug naar de auto om uit te rusten. Het is geen moment om te discussiëren en ik geef toe. Zijn bloeddruk bereikt opnieuw, een voor hem ongekend, dieptepunt. Langzaam kikkert hij op en we zoeken verklaringen voor deze fysische reacties. Uitputting, denk ik. De zware rit van de voorbije dagen, de discussie met de politie jaagt zijn bloeddruk gegarandeerd onmiddellijk de hoogte in, zeventien of negentien zou me niet verbazen. en dan komt de anticlimax. de vermoeidheid krijgt de kans om boven te komen. bloeddrukval. Nu is iets beter is en opnieuw voor rede vatbaar, probeer ik nu de normen vast te leggen. De auto wordt in de eerste twee dagen niet van stal gehaald. Indien alles in orde blijft, zullen we dan pas afspreken wanneer we zullen vertrekken. Valt er nog wat voor, dan zoeken we onmiddellijk een hospitaal op. Ik win het pleit. Eric's diagnose is simpel: "Ik moet gewoonweg meer eten." Dat heeft Franceville dan weer voor. na maanden locale keuken: foufou of gekookte maniokmeel met wat vlees of gezouten vis, hebben we hier de keuze tussen een paar betere restaurants. We gaan Chinezen. Eindelijk vinden we - zij het in beperkte mate - wat groenten op ons bord. Congolezen, Gabonezen. ze eten zelden groente of fruit. hooguit af en toe wat bereide maniokbladeren, voor de rest is alles onbestaande. Wat fruit betreft, horen we dat het niet het seizoen is. De gewone bananen liggen meestal reeds te rotten op de markt. Bijgevolg eten we zelden banaan. Kookbananen zijn er wel voorhanden, doch stukken minder populair dan de maniok.
Na vijf dagen Franceville en geen spoor van Eric's ziekte laten we de stad achter ons. Het regent een te meer. In Muanda maken we een korte stop. Ook hier vergalt de regen de pret. We besluiten om de rotslechte weg, een kleine tweehonderd kilometer, meteen te trotseren. Volgende stop wordt Lastourville. Hebben we net niet bereikt.
Ik ben opnieuw ziek, veertig graden koorts. Laat ik me meeslepen? Is het omdat zuster Leen zei dat ik mocht ziek zijn, tijd moet nemen om te herstellen? Kan dit de veertig graden koorts verklaren? Ik word bijgelovig. Grace à Dieu, heb ik gisteren spottend neergepend. Word ik gestraft? Net zoals de vorige keer zakt de rechterachterband onverklaarbaar in elkaar en daarna val ik als door een bliksemslag getroffen ziek, net zoals de vorige keer. Ik word bijgelovig. dat effect heeft Afrika op meer personen. De perdolan helpt de koorts nauwelijks zakken. Ik strompel het bed in en kom er niet uit voor vier uur. We zakken af naar een klein cafeetje in de hoop dat we daar iets kunnen eten. "Men verkoopt hier geen eten.", zegt de Kameroense uitbaatster. "Heb je honger?", vraagt ze me. Het hoopje ellende, dat ik ben, knikt. "Ik geef je een kleine schotel." Ze zet een stoofpot met vis en aardappels voor mijn neus (Eric krijgt niets) en vraagt me: "Wat mankeert er? Heb je palu?" Ze wacht het antwoord niet af en zegt: "Je hebt palu." Prompt belt ze een dokter op. Uit een kladschrift scheurt de dokter een blad en pent een voorschrift neer. "Dat is voor de koorts, dat voor de palu. Goede reis verder." Zonder meer vertrekt de arts.
Onverwachts staat de Kameroense voor de deur. "Ik heb een cola voor je meegebracht.", zegt ze. Ze overhandigt een zakje en daar steekt niet alleen een cola in, maar ook een bier voor Eric. "Neem je de medicatie?" Ik durf de goede vrouw niet te vertellen dat ik nog even wou afwachten. Ik lieg. "Als je de medicatie neemt, word je vlug beter. Wil ik vanmiddag voor jullie koken." Dankbaar neem ik het aanbod aan.
Beatrice, zo heet de dame heeft geen moeite gespaard: een grote schotel rijst, vis in tomatensaus, maniokbladeren, Frans brood en bananen. Het smaakt. We horen Beatrice met een mannelijke klant discussiëren. "Jij neemt je verantwoordelijkheid niet op. Ik wél!" Het gaat duidelijk over kinderen. Ook Beatrice zit met een jongetje op de schoot. Even later komt ze bij ons zetten. "Ach, het is soms zo moeilijk om te overleven. Ik trek me hier uit de slag." "En de vader?", waag ik. "Ach, mannen. Ze komen zich wat amuseren en eens er een kind van voortkomt, dan verdwijnen ze. Hij woont ergens in Libreville." Beatrice vertelt haar verhaal. Ze volgde secretariaat, maar een goede job zat er niet in. "De overheid betaalt zeer slecht en af en toe vergeten ze te betalen. Met het geld dat ik verdiende, kon ik mijn moeder niet helpen. Ik ben dan maar naar Gabon getrokken. Hier kan ik mij uit de slag trekken en mijn moeder helpen. In Kameroen heb ik twee meisjes. Zij studeren.", voegt ze er met enige trots aan toe. We bedanken Beatrice voor de lekkere maaltijd en willen afrekenen. Zij rekent enkel de drank aan. We dringen aan, maar ze weigert geld voor de maaltijd. Eric stopt haar toch geld in de hand. "Voor de kinderen." Uiteindelijk neemt ze het vrij onzeker aan.
Na de maaltijd voel ik me opnieuw slapjes en vermoeid. Ik koop toch maar de medicatie. maar die heeft weinig effect. De koorts blijft latent aanwezig.
Ik voel me kiplekker. De priester springt binnen om te zien hoe het met me gesteld is. "Breng ik je toch maar naar het ziekenhuis?" Ik wimpel zijn voorstel af. Ik voel me immers zoveel beter. "Bij mijn thuiskomst zal ik je nachecken. Indien je in de loop van de dag koorts hebt, ga je sowieso naar het ziekenhuis." Ik ga akkoord. Twee uur later heb ik spijt van mijn beslissing. De koorts maakt sprongen: 37°, 38°, 37° om dan plots op te klimmen tot een verontrustende 39,68°. Ik neem perdolan om de koorts te laten zakken. Na twee uur heb ik nog steeds 38°. Ik lig badend in het zweet. Het duurt eindeloos lang voordat de priester terug is. Zonder discussie laat ik me naar het privé hospitaal brengen.
Een pijnlijke prik in de vinger en vijftien minuten later volgt het verdict: "Veel te veel palu in het bloed. Twee soorten! Verontrustend veel palu! Als de palu te ver in de lever doorgedrongen is, kan je dit niet meer behandelen met pillen. Je moet een infuus. Wat denk je?" Zonder het antwoord af te wachten: we houden je hier." "Ja, ja, vlug een infuus. Over een paar uur ben ik weg. Ho, wat haat ik naalden.", denk ik. maar dat is zonder de waard gerekend.
Ik krijg een kamertje toegewezen en Eric en ik zitten braaf af te wachten tot ze met het infuus komen. Na twintig minuten komt de hoofdverpleegster binnen. "Zal ik de curé opbellen om te vragen of hij de medicatie voor jullie zal kopen?" We zijn perplex. "Moeten wij de medicatie kopen?" "Natuurlijk." Slik. In het staatshospitaal was alles - behalve een paar zaken die toevallig 'uit' waren - voorhanden. Hier moet je dus zelf gaan shoppen. Niet ongewoon voor Afrika. Het was toch eventjes aan onze aandacht ontsnapt.
Eric komt puffend en blazend de kamer binnengestormd. "Dat is mis hoor! Ze hebben me medicatie voor twee patiënten laten kopen!" Hij stalt de medicatie uit: twee zakken, vier potten op basis van glucose, twee potten om de koorts te zakken, dozen vitaminen, zes miniflesje met weet-ik-wat-veel en nog het één en ander. Ik kreun. Ik raak hier vannacht niet buiten. De verpleegster sluit het infuus aan. De pot tegen de koorts vliegt erdoor. Dan komt de glucose aan de beurt. tergend traag. "Minimum vier uur.", beantwoordt ze mijn vraag. "Hoelang moet ik hier dan blijven?" "Eén dag. als we de therapie goed willen uitvoeren, dan doen we er twee dagen over." De moed zakt me in de schoenen. Uiteindelijk zal ik twee nachten en een anderhalve dag in het ziekenhuis verblijven. Ik lig er al die tijd in mijn stinkende kleren. Hier word je enkel medisch verzorgd. Je helpen wassen of omkleden zit er niet bij. Naar het toilet? Ik moet de houten staander met infuus meeslepen tot op het einde van de gang. daar is het toilet. Telkens blokkeert het infuus en krijg ik een nieuwe prik. De laatste keer ben ik wijzer geworden en masseer onmiddellijk de huid over de naald en het infuus herneemt zijn taak.
De eerste avond springt de priester nog even binnen. De hoofdverpleegster heeft hem opgebeld om hem op de hoogte van mijn malaria te brengen. Hij heeft een bord met spaghetti, vis en een thermoskan koortswerende citronelle thee mee. Als toetje krijg ik een appel en een sinaasappel. Als familie of vrienden de patiënt geen voedsel bezorgen, mag deze patiënt honger lijden. De vis is lekker, toch krijg ik nauwelijks een paar happen binnen.
De volgende morgen springt Eric binnen. Zuster Leen gaf hem een thermoskan met citronelle mee. Ik eet mijn fruit van de vorige avond op. De laborant komt langs en tapt twee tubes bloed af voor standaardonderzoeken. Eén van de zusters lijdt eveneens aan malaria. Zij heeft er echter weinig last van en kan ongestoord haar werk verder zetten. Ze komt naar het hospitaal voor een bloedonderzoek en neemt van de gelegenheid gebruik om mij een bezoekje te brengen. Een half uur later komt zuster Leen ook een goedendag wensen. Zij bevestigt het verhaal van de verpleegster: "Hoe trager het infuus, hoe effectiever." Moed houden. "Je moet tijd nemen om ziek te zijn.", benadrukt zuster Leen nogmaals. Ik schik me in mijn lot.
's Middags heb ik echt honger, maar krijg nauwelijks een hap binnen. De palu probeert het eten te verhinderen. Dan krijgt hij vrij spel om met de patiënt te rammelen. Eten is bijgevolg belangrijk. maar het moet dan ook lukken.
Ik krijg opnieuw bezoek: Beatrice met haar vriendin! Ik bevind me in het hospitaal in een wildvreemde stad, waar ik geen mens kende en ik krijg niet minder dan van vijf mensen op bezoek! "Ik heb je man gezien. Hij zei dat je in het hospitaal lag." Zo simpel is het. Beatrice's vriendin tatert en lacht erop los. Ze geeft me een beetje energie. "Dat is mijn vriendin.", zegt Beatrice zachtjes. "Jij bent ook mijn vriendin." Opnieuw stelt ze voor om voor ons te koken. Graag ga ik op haar voorstel in. Weer zal ze het geld weigeren en opnieuw zullen wij aandringen om toch iets aan te nemen. Ik ben ontroerd door Beatrice's houding. Een goede ziel, een Samaritaan. Het omgekeerde zie ik bij ons niet zo vlug gebeuren. Of zien jullie bij ons een cafébaas of bazin een belabberde zwarte vragen of hij ziek is? Een griepje of zo? Zal ik een dokter bellen? Wat eten voor je klaarmaken? En dit alles zonder tegenprestatie!
De bloedtesten zijn negatief. Niet dat ik zomaar de informatie krijg! Ik moet er uitdrukkelijk naar vragen. Mijn vraag verrast zelfs de dokter. "Nee, je lijdt enkel aan palu, geen andere ziekte, geen diabetes (hoort tot de standaard - veel Afrikanen lijden aan diabetes en hier heeft dit schijnbaar niets met voedingsgewoonten te maken; de oorzaak is nog steeds onbekend), geen hepatitis. enkel een ontsteking, maar dat kan ook alles zijn. Hoest je niet?" Ik ontken en verwijs naar mijn pijnlijke rug. "De palu zet zich graag neer op de rug. Het is niet zeker dat de ontsteking daarvan voortkomt." Ik twijfel. In de minibus kreeg ik constant en gedurende twee uur kloppen van een metalen buis op mijn bil. Ik toon de bijna genezen wonde op mijn been. "Kan ook daarvan voortkomen. Het kan van alles zijn." Hij schrijft me antibiotica voor. Daar houdt het helaas niet mee op. "De therapie voor palu bedraagt vijf dagen: twee voor infuus en nog drie dagen medicatie om te restanten te doden. Gezien jij zoveel palu in het bloed hebt, maken we er onmiddellijk vier dagen van." Prikken, pillen slikken. Ik haat het, maar ik ga akkoord. Geen risico!" Dan volgt nog een vitaminen kuur, een maandlang. Zal me wat extra energie geven.
De elektricien komt langs om de starter te demonteren. In Europa ga je naar een garage en de garagist brengt de auto in orde. Hier in Afrika is het een beetje gecompliceerder. Hier heb je ofwel een mecanicien ofwel een elektricien nodig. Voor deze leek hier, is het niet altijd duidelijk wie ik nu nodig heb. Voor een gebroken onderdeel ga je zelf de boer op.
Eric blijft bij de auto de terugkomst van de elektricien afwachten, ondertussen zoek ik het enige internetcafé dat de stad Oyem rijk is op. Uitgeput kom ik rond de middag terug thuis, bij de auto. De elektricien heeft net de starter opnieuw geplaatst en gelukkig functioneert hij opnieuw prima. We nemen de taxi naar een plaatselijk restaurantje. Het eten smaakt me en ik eet behoorlijk goed. Na de maaltijd heb ik een lange platte rust nodig. 's Avonds nemen we uitgebreid afscheid van zuster Leen. Misschien zit het erin dat we mekaar in augustus in België treffen.
Onze visa loopt vandaag ten einde. Volgens de politie hier kunnen we iets langer blijven, vermits ik ziek was en we een panne hadden. Ik voel me voldoende fit. Zowel Eric als ik zien tegen het gedoe op en besluiten over de grens te trekken naar de eerstvolgende Kameroense stad. We nemen afscheid van de priester en houden nog even halt bij Beatrice. Zij is ontroerd. Ze dacht dat we reeds gisteren vertrokken. We moeten een cola drinken. Afwimpelen lukt niet. Dan volgt een hartelijk afscheid. "Misschien zie ik jullie ooit in België, als ik ooit aan een visa raak. Ik heb ooit één aangevraagd voor Frankrijk. Mijn zus woont daar, maar die werd geweigerd." Voor Afrikanen is het bijna onmogelijk om een visa te bekomen. We beamen. Enkel zwarte religieuzen raken vrij gemakkelijk aan een visa.
We trotseren de immigratie, douane en vele blokkades vooraleer we Kameroen bereiken. het begin van een nieuw verhaal.
In het centrum van Don Bosco in de eerstvolgende stad mag ik vijf dagen uitrusten. Ik voel me beter en neem van de gelegenheid gebruik om mijn dagboek Gabon te vervolledigen.. Waar was ik gebleven? Franceville?
Genoeg voor één dag.
Ria Anyca
Lees verder: Reisverslag 26 - Gabon, Deel 2 >>
© 2005-2007 Deze tekst en al de teksten op deze website zijn eigendom van Ria Anyca. Gelieve toestemming te vragen voor verspreiding.