Oversteek Congo DR - Congo Brazzaville

Vrijdag 9 maart '07

Grensovergangen. ik verfoei ze. Routine? Vergeet het! Overal gebeurt wel 'iets', een onvoorziene omstandigheid of zo. Bij onze aankomst in Congo DR, voormalig Belgisch Congo, kwamen een tiental mannen op ons afgestormd. "Immigratie", "Medische dienst", . en allen zonder enig uniform of legimitatie. Van hectische toestanden gesproken. Het verlaten van Kinshasa lijkt al even hectisch te worden. Vooraleer we aan immigratie en douane kunnen beginnen, moeten we de haven trotseren.

Toch maar daags voordien inlichtingen nemen, een kwestie van goed voorbereid te zijn en voldoende geld in de juiste munt bij te hebben. Toegangsticket tot de haven 300 CF per persoon, ticket voor de auto 888 CF, betreding van de 'tarmac' (het geasfalteerde stukje op de kade) nogmaals 1888 CF. Hoeveel de overtocht zal kosten, kan niemand me vertellen, daarvoor moet je de haven binnen . en alle toegangsgelden betalen. Ik wil de informatie en ben niet bereid om daarvoor te betalen. Gediscussieer met de bewaker, daarna met de loketbediende. Onderling discussiëren in Congo lijkt weinig sociaal en meteen moeien zich talrijke anderen. "Je moet betalen. Dat is het reglement van de haven." "Ik wil gewoon inlichtingen. Hoeveel zal de overtocht mij kosten?" "Hier kan men je dat niet vertellen. Daarvoor moet je binnen in de haven. Daar kunnen ze alle inlichtingen verschaffen. Je moet een ticket kopen om de haven te betreden." "Ik ben niet bereid om voor inlichtingen te betalen. Als we niet binnen mogen, dan moet men aan het loket inlichtingen kunnen geven." "Dat kan niet. Je moet binnen.". Zo kan je natuurlijk aan de gang blijven. "Voor jou, 4800 CF en voor de auto en bestuurder 350 $.", klinkt het opeens. De moed zakt me in de schoenen. 350 $ plus alle taksen om de haven binnen te mogen. We druipen af. "Kan toch niet", beweert Eric, "het is hooguit een half uur varen. via een internationale haven, een grensgebied, maar toch." Maar toch. We zijn alle mannen rondom ons kwijtgespeeld en besluiten om op onze stappen terug te keren. Een grote, lange man van de havenpolitie wenkt ons. "Ik ben bij de grote baas geweest en hij verwacht jullie." Onder zijn begeleiding mogen we overal gratis door. We bereiken het bureau van Monsieur Robert. "Wat kan ik voor jullie doen?" We leggen onze situatie uit. "Handel?" "Nee, puur toerisme." "Waarom rijden jullie met zo'n grote auto?" "Twee jaar op reis, dit is onze woning, slapen in de auto, is eigenlijk een camper." "Geen handel?" "Geen handel." "Geen goederen aan te geven." "De enige goederen die we bij hebben, zijn de goederen die we zelf nodig hebben: kleren, kookgerei." "Hoeveel weegt de auto?" "Zes ton." "Staat dit op de roze kaart?" "Ja, dat denk ik.", antwoordt Eric weifelend. Later blijkt dat dit er helemaal niet op staat. "Niet meer?" "Zes ton, misschien zes en een half." "Heen en terug?" "Enkel heen." "Zeker weten?" "We reizen door naar Congo Brazzaville en daarna naar Kameroen." Meneer Robert cijfert. "Geen handel, zes ton maal." Hij komt uit op een rekening van 42 330 FC. "Jullie betalen misschien liever in dollars. dat is dan 90 $." Na de 350 $, klinkt 90 $ toch een stuk aanvaardbaarder. "En voor mevrouw een ticket van 4800 FC, dat is dan 10 $." Er rinkelt bij mij een belletje. Zijn tien dollar is ruim naar boven afgerond. "Kom rechtstreeks naar mijn bureau. Ik geef je een brief mee voor de kassa." We bedanken en spreken af voor de volgende dag. Eens buiten bereken ik de koers opnieuw . Ik kom uit op 75 dollar. Conclusie: we betalen met Congolese biljetjes. Volgende stap: geld afhalen, kan enkel in dollars. op straat geld wisselen, gaat vlotter dan in een bank. en hopen maar dat meneer Robert morgen niet goochelt met de inflatie. Ik maak pakjes geld klaar: ingang tot de haven, de auto en Eric, mijn ticket.

Lichtjes nerveus vertrekken we. Hopelijk verloopt alles vlot. De lange man heeft ons meteen opgemerkt. Hij laat de poort openen en we rijden zonder te betalen binnen. Hij hangt aan onze auto en beveelt ons door te rijden. In de haven vliegen mannen op onze auto af: immigratie, douane, andere havenpolitie. 'Onze politieman' wuift allen weg met de magische uitspraak: "Monsieur Robert les attends." De laatste poort zwaait open en we mogen onmiddellijk op het 'tarmac'. Normaal gezien mag je enkel dit deel betreden nadat alle formaliteiten vervuld zijn. Monsieur Robert komt ons reeds tegemoet. "Bonjour monsieur." "Robert, il ne faut pas dire monsieur. C'est Robert.", zegt hij joviaal. We stappen mee naar zijn bureau. Hij haalt een papiertje uit de kast, plooit het dubbel en steekt er een carbonnetje tussen. Hij noteert de prijzen en ze kloppen met de afspraak. Te betalen aan de kassa en je kan vertrekken. Handjes schudden, wegwezen. Nog steeds onder begeleiding bereiken we de douane. We krijgen probleemloos onze stempel. Op naar immigratie. maar de beambte is nog afwezig. Iemand biedt aan onze paspoorten bij te houden, ze laten afstempelen en ons later terugbezorgen. We wimpelen af. We keren wel een keertje terug. Ook deze papieren raken in orde. We mogen aan boord, tenminste dat dachten we. Onze begeleider is verdwenen, maar een andere 'agent' gaf ons de toestemming. Een schoenenpoetsertje verdient zijn centjes. De man wiens schoenen schijnbaar een beurt nodig hadden, staat te schreeuwen. Ik heb helemaal niet door wat er aan de hand is. Eric hoort van achter zijn stuur de man helemaal niet. De man duwt het schoenenpoetsertje ruw aan de kant en springt voor de auto uit. "Stop! Stop!" Hij is woest. Ik verontschuldig me en zeg dat we aan boord mogen. Al onze papieren zijn in orde. Uit het niets dagen nog een tweetal mannen op. Zij moeten met zijn allen de auto zien. Weer eens draagt geen één een uniform of toont een legimitatie. De agent haalt zijn schouders op. "Hij", zegt hij wijzend op de eerste man heeft het recht." Op verontschuldigende toon laat hij erop volgen: "Ja, er zijn hier zoveel diensten. Eric moet de camper voor nummer één openmaken. Plots staat een hele rij aan te schuiven. "Ja, ja.", roep ik ontsteld, "en straks moeten ze nog met z'n allen de camper in!" De agent kijkt me aan en vervolledigt onmiddellijk de rij. Het blijft maar duren. enfin Eric geeft eens te meer zijn rondleiding. Ze komen buiten. De o's en a's zijn niet uit de lucht. "En weet je dat ze liters water bijhebben? Alles is er! Een keukentje. een echt huis!"

Aan boord heerst een drukte van jewelste. Metershoge pakken koekjes, Belgische koekjes wel te verstaan, ijzerwaren, kartonnen sardienen, glazen ramen. ongelooflijk veel consumptiegoederen worden aan boord gesleept. Eén ding is zeker: Congo Brazzaville wordt een stuk duurder. Waar ze vandaan komen, ik weet het niet, het lijkt alsof alle gehandicapten van Kinshasa opeens aan boord stappen. Lange rijen blinden en slechtzienden houden elkaar handje bij handje vast en leiden elkaar doorheen de wirwar van goederen. Daarna zijn de rolstoelen aan de beurt. Een groep doofstommen vervolledigt het gezelschap. We worden tegen elkaar aangedrukt. Er blijft nauwelijks een centimeter onbenut. Een rolstoelpatiënt knoopt een gesprek aan. "Des Belges! Des Flamands! Hoe is de situatie van de gehandicapten in België? Hoe raken zij aan hun inkomen? Wat doet de overheid voor hen?" Ik moet eerlijk toegeven dat de situatie van de gehandicapten bij ons toch wel een stuk beter is dan de situatie in Congo en in Afrika in het algemeen. "Waarom legt België en de internationale gemeenschap de normen voor de gehandicapten hier niet op?" "België regeert Congo niet. Congo moet zijn eigen weg zoeken." "Ik ben geboren voor de onafhankelijkheid. Ik weet hoe het eraan toe ging. En waar staan we nu? Alles wat we hebben, komt van de Belgen. scholen, onderwijs, gebouwen, wegen. Alles was beter onder de Belgen. Nu moeten we opnieuw opbouwen." Het gesprek gaat de richting uit van de Belgische politiek. ze moeten méér doen voor Congo, de normen opleggen, de corruptie indijken. Hij is een verstandig man en hij snapt best dat België deze macht over Congo niet heeft. Het lijkt eerder wishfull thinking. "Het is niet omdat ik twee benen nutteloze benen heb, dat dit niet werkt." Hij klopt op zijn voorhoofd. "Ik zou best kunnen werken op een bureau of zo. Nu varen we elke dag naar Brazzaville om een beetje te werken." Ik stel geen vragen, maar vraag me af wat voor werk ze nu in Brazzaville kunnen vinden. Het antwoord laat niet lang op zich wachten. De boot maakt zich klaar om aan te leggen. We nemen afscheid. De rolstoelpatiënten duwen hun poep omhoog en pakken worden eronder geschoven. De dozen sardienen worden geopend en iedereen krijgt een paar blikjes in de hand gestopt. De pakken koeken zijn inmiddels in kleinere pakken bedeeld en de blinden en slechtzienden binden een pak van een meter op vijftig centimeter op de rug en trekken er hun t-shirt boven. Ik geloof mijn ogen niet. en dat zou dan niet opvallen! De doofstommen hebben de moeilijkste klus te klaren. Drie man zijn er nodig om grote ongeopende pakken op hun hoofd te leggen. Eén per één zullen ze de oversteek maken. Er gaat een schok door de boot. We liggen aangemeerd. Mannen met strooien hoeden, blijken de immigratiebeambten te zijn, en agenten in uniform versperren de doorgang. Een strooien hoed loopt op onze auto af, toont zijn legimitatie en vraagt de paspoorten. "We zullen ze afstempelen. Je krijgt ze straks terug." Hij gaat ermee vandoor. Ik hou hem in de gaten. Hier en daar pikken de strooien hoeden mensen uit, halen paspoorten of documenten op. Blijkbaar moet ik me niet onmiddellijk zorgen maken. De mensenstroom verlaat inmiddels met grote spoed de boot. De ene agent beschikt over een lange stok, port de mensen in de ribben en verkoopt hier en daar een paar slagen. Een tweede agent heeft een dubbel stevig touw mee. Ongenadig slaat hij hier en daar op een smokkelaar. Af en toe pikken ze er eentje uit. Enkele ogenblikken blijft de brave man schaapachtig staan. Plots stapt hij voetje per voetje achteruit. Zet het op een lopen, de boot in en vervoegt opnieuw de mensenstroom. Uiteindelijk lijkt niemand van de smokkelaars opgepakt. Eén klucht. De stok en touw zijn me er toch teveel aan. Is dit een manier om te zeggen: wettelijk kan het niet, anderzijds raken we aan onze goederen niet?

Republiek Congo (Brazzaville): het conflict met de autoriteiten

Hallo, Congo Brazzaville, hier zijn we dan. We rijden de boot af: de één wijst naar rechts, de ander naar links. Het wordt links. De strooien hoed loopt ons lachend, met een leuk meisje aan de arm, voorbij. "Paspoorten, daar ergens links, op het oude strand." Hallo, waar moeten we heen? "Papieren auto. Ik ben de burgemeester van de haven." Eric geeft de carnet de passage. Beduusd staat de man erop te kijken. "Paspoorten?", vraag ik. "Daar bij de immigratie.", wijst een agent. "De man zei: op het oude strand." "Dan moet je de haven verlaten." Te voet op zoek naar de immigratie op het oude strand. Uiteindelijk vinden we het bureau vér buiten de haven. "Wat wil je?" "Onze paspoorten." "Naar Kinshasa?" "Nee, we komen van Kinshasa." "Trapjes naar boven." Ik schuif aan de balie aan. "Ze komen eraan.", zegt de beambte. Een kwartier later komen ze er inderdaad aan.

Terug naar de haven. De brave douane snapt weinig van de carnet de passage, maar doet flink zijn best. Hop de auto in en wegwezen. hadden we gedacht. Je moet een ticket kopen om de haven te mogen verlaten. Ik geloof er niets van. Helaas staat er in de mum van tijd niet één man, maar een zestal man rond de auto die met z'n allen beweren: "Als de man zegt, dat je moet betalen, dan moet je betalen." Het komt neer op een slordige dertig euro. "Voor het gebruik van de haven. Het is officieel, want je krijgt een ticket." Hij zwaait met de ticketjes . Ik weiger te betalen. "Je raakt hier niet buiten!", dreigt hij. "Ik ga de autoriteiten erbij halen." Eric stapt zelf op een agent af. Hij heeft geen weet van een betaling voor het gebruik van de haven. "Misschien als je goederen verhandelt, dat je iets moet betalen." Zal wel wezen, daarvoor heb je douane! Met meneertje mee naar de grote chef. "Zij weigeren te betalen. 't Is teveel, zeggen ze." "Vijftien euro." "Hij vroeg er dertig." "Ja, natuurlijk, maar de grote baas zegt nu vijftien is genoeg. Hij heeft het laatste woord." "Waarom moet ik dit betalen? Dat is niet logisch. Ik heb alles betaald wat er te betalen viel." "Aan de overkant. Dat is een ander land. Hier zijn andere wetten. Je maakt gebruik van de haven." "Heb je al eens goed gekeken hoe we van de boot af moeten rijden? Brokken, kuilen." "Dat doet er niet toe. Je hebt erover gereden." Ik kook. Eric ontploft. Ik betaal dit niet. Trouwens, ik heb de kans nog niet gehad om geld te wisselen." Wat heb je wel bij?" "2500 CFA." Ik word vierkant uitgelachen. "Wil je daarmee het gebruik van de haven betalen?" "Ja. Dat is het maximum.", antwoord ik nijdig. "Je kan een wisselaar opzoeken. Of anders haal ik er iemand bij die goed op de hoogte is van dollars." Hij verdwijnt en een paar seconden later staat een andere man bij hem. Hij spreekt niet, maar onze chef zegt: "Da's dan twintig dollar." En tot de ticketverkoper: "Geef haar maar vier ticketen van 2500." Ik blijf onwillig, maar ben het spelletje meer dan beu. Ik piep even in het kleine beursje en tel 4500 CFA. Natuurlijk heeft de chef dit gezien. "Hoeveel heb je bij je?" "Vierduizend vijfhonderd." "Geef me die vierduizend. Akkoord?" Ik knik, ben het beu en toch. Ik krijg een ticketje van 4000 CFA. "Zie je dat het eerlijk is. We hebben geen ticket van 4500 of van 500, dus moet je maar 4000 betalen." Ik ben niet erg overtuigd. Hij schudt handen: "Steeds welkom in Congo Brazzaville." Met mijn gemene mond kan ik niet nalaten om te zeggen: "Ja, ja, maar 't zal dan toch niet via de haven van Brazzaville zijn!" Ze lachen. Even goede vrienden. "We zijn er goed van af gekomen.", beweert Eric. Ik baal. Ik kan mij van het gevoel niet ontdoen dat ik opgelicht ben, weliswaar niet voor 30 euro, wel voor een luttele drie, vier euro. We moeten twee poorten door. Ze zwaaien open. Niemand vraagt ons een ticket of betalingsbewijs. Ook hier wordt betaald voor het betreden van de haven. De boot is een ferry, dus is er geen sprake van goederenbehandeling en we drijven geen handel dus zouden we net zoals alle andere mensen de haven vrij moeten kunnen verlaten. Moesten we nu betalen of niet? De vraag blijft open, wel blijft het een feit dat de prijzen méér dan rekbaar zijn. Of verdwijnt de opbrengst van deze ticketen in de zak van de betrokken personen? We hebben het raden ernaar.

Geld wisselen! Hadden we maar geld gewisseld in de haven van Kinshasa! Hier zijn geen wisselaars te bespeuren. Op naar de bank. De bank verkoopt dollars, maar weigert dollars te wisselen in CFA. Hebben we nog nooit meegemaakt. Hoe raken zij aan hun dollars, ze verkopen ze. In de tweede bank stapt een Arabier op ons af. "Geld wisselen?", vraagt hij 'discreet'. Hij staat met zijn rug naar de loketten en haalt een dik pak geld uit. Ik heb geen keus. In tegenstelling met Congo DR, waar de dollar een gegeerd betaalmiddel is, kan je hier met dollars nergens betalen. Ik heb plaatselijke munt nodig. Ik wissel aan een sjacheraar in de bank.

Brazzaville verlaten, blijkt ook al geen sinecure. We manoeuvreren ons camionnetje moeizaam doorheen de verkeersknelpunten. Net voor zonsondergang bereiken we de 'stad' Ngo. We vinden onderdak op het domein van de Katholieke parochie. De priester stelt voor om een avondwandeling te maken. We trotseren, begeleid door de vele glimwormpjes, het nachtelijk duister en bereiken de centrale 'winkelstraat'. Kaarsjes en petroleumlampjes verlichten de kraampjes. De stad is nog steeds verstoken van elektriciteit. "Of we die vreemde vruchten kennen?" "Ja, safo, hebben we reeds in Angola en Congo DR geproefd." De priester koopt ons een zakje safo en trakteert ons daarna een pint. De priester vertelt: "Ik ben hier pas twee jaar. Telkens ik wat geld bijeen kan sparen, werk ik de kerk een stukje verder af. Ja, ik heb hier de parochie gestart. Momenteel telt de parochie een tweehonderd katholieken. De grote concurrentie komt van de Evangelische kerk. Dat zijn protestanten. Ik heb een arme kerk en moet leven van de opbrengsten van de kerk. Op de zondag haal ik met moeite een tegenwaarde van 4 tot 6 euro op en daarmee moet ik leven." Nee, de priester ontvangt geen maandwedde. Hij moet selfsupporting zijn. "Ik kweek groente, maar alles verdwijnt van de tuin recht in mijn mond. Ik geef een paar uur les en ook daarvoor krijg ik een kleine vergoeding." Een belangrijke parochiaan trakteert ons gezelschap. De priester zet meteen de drie flessen bier onder de tafel. Hij geeft een vrouw 300 cent. Ze neemt de flessen mee en zal ze morgenochtend bij de priester leveren.

Zaterdag 10 maart '07

's Morgens nemen we afscheid. "Ik heb deze morgen de mis iets stiller opgedragen om jullie rust niet te storen." We bedanken, moest hij echt niet doen. Ergens is het wel grappig. We slapen in de auto net naast de kerk en hij laat iedereen een beetje stiller zingen om ons niet te storen.

De eerste grote stad ligt slechts een boogscheut (een slordige 70 km) verderop. We nemen een pauze, bezoeken de markt en besluiten om in de bank te informeren waar we dollars kunnen wisselen. immers de diesel (0.50 euro) is hier vrij goedkoop, maar een volle tank betekent toch een grote slok op ons budget. Dan gaat het mis. "Paspoorten." "Waarom?" "Ik ben een agent. Ik stel de vragen." De vermeende security man blijkt een echte agent te zijn. Ik steek de schouders op en negeer zijn bevel. "Mag ik de bank betreden?" "Wat moet je?" "Inlichtingen." Stilte. "Ik wil weten of ik ergens geld kan wisselen." "Laten we dit uitzoeken." De agent begeleidt me tot in de bank en blijft rond me staan draaien. "Nee, spijtig, de banken mogen geen dollars wisselen. Het is ook niet mogelijk in een andere stad, enkel in Brazzaville." Ik zucht. "Waar ga je heen?" "Cameroun. Ik weet niet of ik geld genoeg heb." "Oh", zegt een man, die later ook een bankbediende blijkt te zijn, "Ik wil wel geld wisselen, enkel om je te helpen. Je moet toch kunnen eten en drinken." De agent verdwijnt. "Heb jij zoveel geld bij. Hoe zal je dat doen?", vraagt een bediende. "Een cheque aan de bank uitschrijven. Daarvoor bestaan ze, de cheques. Ik moet binnenkort toch naar Brazzaville en zal dan het geld terug inwisselen." De mannen zoeken via internet de wisselkoers op. Het is minder dan ik gisteren kreeg. Ik wil nog even overleggen met Eric en moet sowieso dollars ophalen. Eric staat nog steeds buiten te wachten, geëscorteerd door twee militairen. "Jullie moeten naar het bureau meekomen." "Waarom?", vraag ik. "Stel geen vragen. Ik stel de vragen.", blaft hij. "Waarom?", herhaal ik, "we stoppen hier om een brood te kopen, lopen de bank in en moeten gecontroleerd worden. Reden we door dan hadden we geen controle. De paspoorten." "Meekomen!" Ik steek de schouders op en ga mee. We moeten plaatsnemen op een bankje. De chef neemt achter een tafeltje plaats. Ondertussen staan naast de twee militairen een achttal agenten in een kring rond ons. De chef blaft: "Paspoorten!" "Ik heb ze niet bij. Ze liggen in de auto." "Je hebt geen paspoort bij. Heb je dan een andere identificatie?" "Mijn identiteitskaart?" "Geef op!" "Hij bekijkt het pasje van voor naar achter en legt het uiteindelijk neer. "En meneer?" "Hij heeft niets bij. Alles ligt in de auto." "Papieren van de auto!" "Hebben we niet bij. Alles ligt in de auto." "Je wil ze niet geven!", blaft hij. Ik zucht. Dit spelletje kan lang duren. "Jawel, we willen ze wel tonen, maar dan moeten we de kans krijgen om ze op te halen. Daar buiten wou ik ze reeds ophalen, maar ik mocht niet spreken en moest onmiddellijk hierheen komen." De snuggere chef weet niet zo goed wat hij moet doen. Als we de papieren ophalen, zouden we kunnen weglopen. Na een poosje heeft hij de oplossing gevonden. "Jij", wijst hij Eric aan, "haalt de papieren op en de vrouw blijft hier." "En wij zullen hem begeleiden.", zegt de militair. Eric vertrekt met een escorte van drie man. Hij neemt ruim zijn tijd. Ondertussen knoop ik op op gemoedelijke toon een gesprek aan met de chef. "Waarom worden wij gecontroleerd?" "Als je stopt in een stad moet je geregistreerd worden." "Dit is de eerste keer. We hebben reeds zoveel Afrikaanse landen bereisd. Aan de grens heeft er trouwens niemand iets gezegd. Trouwens, eigenlijk blijven we hier niet. We reizen verder. We stopten enkel om een brood te kopen." "Maar de auto zou wel eens gestolen kunnen zijn." "Ik denk niet dat wij, met zo'n auto, ongezien de grens kunnen oversteken. Indien iets niet in orde zou zijn, zou men ons allang gevat hebben." Zijn toon verandert opnieuw. "Nationaliteit?" "Belg." "Daarvoor?" "Belg." "Waar kom je vandaag vandaan?" Ik hou het bij Brazzaville. "Daarvoor?" "Kinshasa." "Les moyens?" Ik veronderstel dat hij het over onze financiële mogelijkheden heeft en denk: dat gaat hem geen snars aan, maar vraag: "Wat bedoelt u?" "Les moyens, les moyens.", blaft hij. "Par exemple le vehicule.", helpt één van de agenten. "Met die auto, natuurlijk." "Van Kinshasa naar Brazzaville? Hoe heb je dat gedaan?" "Met de ferry. Het is enkel een half uur varen." "Natuurlijk, met de ferry.", knikken twee agenten bevestigend. Dwaas kieken, denk ik doelend op de chef. De chef weet eventjes niet wat gezegd. "Wat hebben wij misdaan? Ik voel me net een misdadiger. Zoveel agenten rondom mij." "Nee, nee", antwoordt één van de agenten, "we moeten enkel alle papieren controleren om te zien of alles in orde is." Eindelijk is Eric terug. "Paspoorten!" De chef bekijkt ze nauwelijks en gooit ze opzij. "Papieren van de auto!" Eric geeft hem de carnet de passage. De ogen van de man sperren wijd open. Hij staart op de stempeltjes, maar snapt er niets van. "Waar komen jullie vandaan en waar gaan jullie naartoe?" Plotseling springt hij recht. Zijn stoel vliegt een meter achteruit, het tafeltje een halve meter vooruit. Ik schrik me rot en spring halvelings op en tuimel bijna naast het bankje neer. De mannen salueren. Er moet dus een belangrijk persoon binnengekomen zijn. "Bonjour mon commandant!", klinkt het in koor. Eric en ik staan langzaam recht, geven de commandant een hand en zeggen simpelweg: "Bonjour monsieur." "Zet u neer, zet u neer.", wijst hij naar de bank. Hijzelf wil plaats nemen achter het tafeltje. De chef kan niet vlug genoeg een stoel bijschuiven. de onderkruiper. "Wat is er aan de hand?" De commandant wacht niet op antwoord en neemt de paspoorten ter hand. Ondertussen kijkt de chef drukdoend in de carnet de passage. Een militair fluistert iets in zijn oor. Ik vang flarden op. Eric is in de camper geweest en zij kregen de kans niet om binnen te stappen. Wellicht heeft hij iets gedaan die niet erg zuiver is. Ik erger me. De commandant schuift me de passen toe. "De paspoorten zijn in orde. Waarom hielden jullie hen aan?" Hij wacht niet op antwoord. "Jullie kunnen gaan." De chef pruttelt tegen en zwaait met de carnet de passage. "Geef dit terug." Onwillig krijgen we het boekje terug. De commandant zucht: "Geef nog even de passen." Hij noteert onze gegevens op een blad. "Nu zijn jullie geregistreerd. Jullie zijn vrij om te gaan. Een prettig verblijf." We schudden handen een staan terug op straat. We halen onze dollars op en begeven ons naar de bank. "Ik voelde me net een crimineel: twee voor, één achter. alle mensen gaapten me aan. Zullen wel gedacht hebben, wat hebben die uitgespookt!", verklaart Eric. Aan de bank kijkt de agent ons gemeen aan. Tot mijn ergernis begeleidt hij ons tot in de bank en blijft er pal naast me staan. "Ach, we dachten dat jullie al weg waren." "Politiecontrole en dat vraagt een beetje tijd." De directeur en twee bedienden van de bank vliegen tegen de agent uit. "Jij hebt het recht niet om de politie erbij te halen!" "Jij hebt het recht niet om deze mensen te laten controleren.", roepen ze door elkaar. "Ik ben een politieagent en moet mijn plicht doen.", probeert hij zwakjes. Deze uitspraak ontlokt nog meer kritiek. "Jou taak is de bank te bewaken en niets meer. Wat binnen in de bank gebeurt, gaat jou niets aan!" "Je hebt het recht niet om zich te moeien met om het even welke activiteit er in de bank gebeurt. Hou je bij jouw taak." De politieagent probeert nog eens: "Gaan jullie nu geld wisselen? Dat is niet wettelijk." De directeur en de bankbedienden koken. "Wat hier gebeurt, zijn je zaken niet.", beweert de directeur. De bediende die het geld wil wisselen voegt eraan toe: "De bank wisselt geen geld. Ik wil deze mensen in persoonlijke naam helpen. Daar heb jij niets mee te maken. Zij moeten kunnen eten en drinken." De directeur verdwijnt en komt even later terug. "Ik ben bij de commandant geweest. Er is geen enkel probleem. Géén enkel, heeft hij gezegd. Begrepen!" De agent mokt. Wij krijgen ons geld, nemen afscheid en gaan. Niemand zal ons nog durven lastig te vallen. maar wij hebben de buik vol van deze stad en reizen onmiddellijk door. De bewaker van de bank was dus ons klikspaan. Ik erger me aan de arrogantie en de incompetentie van de opgeblazen chef. En zijn kruiperig gedoe tegenover de commandant!

Rond een uur of vier bereiken we de stad Owando. We zoeken soelaas in de hoofdparochie van het district. We worden van de ene priester naar de andere geleid. Uiteindelijk gaat iemand onze vraag aan de hoogste instantie overbrengen. Hij komt terug: "Wat is jullie nationaliteit?" Hij verdwijnt opnieuw. We beginnen bijna te wanhopen. De curie komt terug en zal ons wijzen waar we de auto mogen plaatsen, een beetje uit het zicht van de kerk. We komen terecht voor het nonnenklooster. We krijgen een kamer toegewezen waar we ons mogen douchen. De nonnetjes stellen zich voor. Soeur Brigette is de belangrijkste zuster. Soeur Innes heeft een boontje voor mij en herhaalt heel graag mijn naam: "Ria, Ria." Ook de broeders komen op de proppen: frère Bernard en frère Gabriel. Bernard heeft schijnbaar de leiding over de broeders en aspirant broeders. Gabriel is reeds een echte broeder, een joviale broeder. Talrijke anderen komen zich voorstellen, maar wij raken het noorden kwijt: teveel priesters met diverse rangen, teveel broeders en zusters. teveel om iedereen achteraf te herkennen en hun namen te onthouden. "De zondagsmis start om 8u30.", zegt zuster Brigitte tot afscheid. "We zullen er zijn.", beloven we. We zijn allang blij dat de mis hier niet om zes uur begint. Het belooft een lange rustige nacht.

Zondag 11 maart '07

De laatste maanden moeten we constant onderdak zoeken bij kloosters. Soms luiden de klokken vanaf half vijf 's morgens. Eigenlijk ben ik blij dat deze keer stil blijft tot een uur of zeven. We spreken af dat we niet te vroeg in de kerk moeten zijn. de mis zal toch minstens twee uur duren. Maar 't is de aard van het beestje. We zijn opnieuw ruim op tijd in de kerk aanwezig. Een mentaal gehandicapte jongen danst doorheen de kerk. Hij duidt ons ergens halfweg de kerk een plaats aan. Doodgelukkig maakt de jongen een sprongetje en neemt zelf ergens op een van de eerste rijen een plaats in. Zuster Brigitte en de broeders Bernard en Gabriel glimlachen ons toe. De bisschop, bijgestaan door vier priesters, vele misdienaren en één zuster, draagt zelf de tweetalige mis, in het Frans en de locale taal, op. Er wordt veel gezongen en gemusiceerd. De luidsprekers staan volgens mijn smaak veel te luid. Het heeft iets van een megaoptreden. De mis duurt inderdaad een dikke twee uur. Daarna volgt de mededelingen en de agenda van de parochie. Tenslotte neemt de bisschop nog even het woord. Het onvermijdelijke gebeurt. "Deze twee witte mensen in de kerk zijn geen albino's." Er klinkt gelach vanuit de kerk. Theatraal vervolgt de bisschop: "Nee, het zijn vreemdelingen! Geen vreemdelingen in de strikte zin van het woord! Nee, het zijn Christenen! Zij hebben samen met ons de eucharistie gevierd! Zij zijn jullie broeders!" Zo gaat het een poosje door. Tot slot voegt hij eraan toe: "Ik wil dan ook dat de parochieraad met hen praat en een beetje informatie geeft!" Via een zijdeur verlaten we de kerk. We staan er een beetje verweesd bij. We kunnen moeilijk weglopen, maar weten ook niet waarheen te gaan. Mensen wensen ons een goedendag en geven een hand. Onwennig lopen we tot aan het voorportaal van de kerk. Broeder Bernard komt op ons afgestormd. "Heb je begrepen wat Monseigneur heeft gezegd." Ik beaam. "Volg me." Hij leidt ons naar een groep mensen die zich voorstellen als de pastorale raad. "We zijn allen koppels, getrouwde kristenen. We waken over het welzijn van de parochie. Blijft een jongeman te lang ongehuwd, dan zoeken we hem een vrouw. Het alleen-zijn leidt tot overmatig drinken en eventueel druggebruik. Daar komt niets goeds van terecht. Een getrouwde man draagt verantwoordelijkheid en zal 's avonds na het werk niet gaan drinken. Een man moet het houden bij één vrouw. Indien hij er meerdere heeft, trekt zijn hart toch altijd naar één. Dat is niet eerlijk tegenover de anderen. Je hart trekt altijd naar één." De groep wordt getrakteerd op grote flessen bier. In een mum van tijd verandert het gesprek van onderwerp. Zij vuren talrijke vragen op ons af: over onze reis, belevenissen, maar ook over het leven in Europa. Internet is hier de grote onbekende, maar iedereen is op de hoogte van Shengen, de illegale oversteken vanuit Marokko. "Ondanks de sensibilisatie zijn er nog steeds zoveel Senegalezen die de overtocht proberen te maken. Ze betalen een klein fortuin en weten dat ze riskeren om te verdrinken. Ooit poogde een man uit Congo Brazzaville via het landingstoestel van een vliegtuig naar Frankrijk te trekken. Ze hebben hem doodgevroren aan de wielen van het landingstoestel gevonden. Nee, nee, de Afrikanen moeten niet massaal naar Europa trekken. Ze moeten hier proberen hun land op te bouwen. Maar dan moet er ook werk zijn." "Europa heeft ons nodig en wij hebben Europa nodig", springt een tweede man in. "Als wij neen zeggen tegen Frankrijk ligt het morgen op zijn gat. Petroleum. alles wat ze nodig hebben, komt van hier." "De Fransen zijn de grootste racisten die er bestaan. Ze hebben niets voor hun kolonies gedaan. Ze hebben ons niet gegeven wat België wel voor Congo DR gedaan hebben. Nee, de Fransen hebben niets gedaan, behalve misschien een beetje voor Algerije, omdat deze mensen méér op hen lijken. Overal waar ze kwamen, hebben ze oorlog achtergelaten. Kijk naar Côte d'Ivoir." Nee, de mannen van de parochieraad zijn niet erg opgezet met hun vroegere kolonisator. Nochtans hebben enkelen onder hen Frankrijk reeds bereisd. Eén van de mannen stelt ons voor om een uitwisseling met ons dorp op te zetten. "Zo kunnen we elkaars leven beter leren kennen. Wij zullen onze traditionele keuken presenteren en bij jullie zullen we jullie keuken proeven. Met een uitnodiging van jullie dorp kunnen we gemakkelijk een visa bekomen." "Hoelang reizen jullie nog? Een vier- vijftal maand? Wij zullen vier maandlang dagelijks voor jullie bidden omdat jullie deze tocht mogen uitmaken en veilig thuiskomen in België." De curie komt langs. "Hebben jullie reeds veel informatie over de parochie?" "We hebben al heel wat gepraat.", omzeil ik het onderwerp. De dames nemen afscheid, namen toch geen deel aan het gesprek. Ook wij willen opstappen, maar dit is zonder de waard gerekend. "Oef, eindelijk de foyer alleen. We zullen nog iets drinken." "De eerste rekening mogen jullie mij bezorgen, de tweede is voor de foyer.", zegt de curie. Ook hij neemt afscheid, neemt wel een bier mee, want hij heeft het verschrikkelijk druk. De mannen stellen zichzelf met hun specifieke functie in de parochieraad nog even voor. In een notendop volgt hun werking. "Wij verzamelen en bedelen voedsel aan de armen. Hier is geen sociale voorziening zoals in Europa. De staat is in de onmogelijkheid om voor iedereen te zorgen. Wij rekenen het tot onze taak om de armen in onze parochie te helpen. We waken over het welzijn van de parochie, zorgen dat de koppeltjes christelijk trouwen. Getrouwde mannen gedragen zich verantwoordelijk." "Jullie vertrekken naar Cameroun. Hoe denken jullie om Cameroun te bereiken?" "We vervolgen onze weg naar het noorden." "Dat is niet mogelijk. Je kan de stroom door het regenwoud niet oversteken." "Er ligt toch een nieuwe brug." "Over de tweede stroom, ja, niet over de eerste. Je kan ze niet met de auto oversteken. Ze is meer dan honderd meters breed." "De bac?" "Die werkt allang niet meer. Ze praten over de aanleg van een nieuwe brug, maar dat kan nog maanden op zich laten wachten." "Hoe bereik je dan de grote stad Quessno?" "Vanaf Brazzaville met de boot over de stroom, maar dit kost méér dan een miljoen CFA. De mensen rijden met camions tot drie kilometer voor de stroom. Verder kunnen de camions niet rijden. Dan stappen ze met de goederen drie kilometer verderop en nemen een piroque. Aan de overkant staan opnieuw vrachtwagens klaar om hen op te pikken. Met jullie auto raken jullie niet weg." Het is een domper. Op de ambassade vertelde de secretaris dat het zeker en vast geen probleem was. Het laatste stuk gaat recht door het regenwoud, een beetje difficile, mais pas impossible, beweerde een andere bron. "Jullie moeten over Gabon." We zuchten, we hebben geen visa voor Gabon. Valt dit aan de grens te regelen? "Enkel in Brazzaville.", beweert één van de mannen. De moed zinkt ons in de schoenen. Een beetje depri nemen we afscheid.

Maandag 12 maart '07

Broeder Gabriel bevestigt het verhaal. De oversteek is onmogelijk. "Oh, die mensen daar ver weg in hun bureau in Brazzaville en Kinshasa weten dit niet. Ooit kon je met de bac de oversteek maken, maar die is er niet meer. Zij denken nog steeds dat alles bij het oude is gebleven." Ik leg hem het probleem voor van de omrit via Gabon. Ons mankeert de visa en we weten niet of we die aan de grens kunnen bekomen. Broeder Gabriel belooft informatie in te winnen.

Half zeven, we zijn net gedoucht. Een zuster verlaat het klooster. Ik wens haar een goede avond. Ze antwoordt: "Men vertrekt naar de mis." Broeder Bernard komt zenuwachtig op ons afgelopen. De mis begint. We zuchten. Schijnbaar is de mis hier een dagelijkse verplichting. "We moeten ons nog omkleden." Bernard knikt ongelukkig en wijst ons de weg naar de kapel. We haasten ons, maar schijnbaar niet snel genoeg naar de zin van Bernard. Hij komt ons voor de tweede maal tegemoet gelopen. Opgelucht haalt hij adem. Buiten de broeders en zusters zijn er met moeite een handvol parochianen aanwezig. Na de mis krijgen we van broeder Bernard een bolwassing. "Jullie willen toch als goede Christenen de mis niet missen!" Ik verontschuldig me met de mededeling dat ik niet wist dat er 's avonds een mis was. Ik had beter gezwegen. Kwam natuurlijk gisteren in de mededeling voor de parochianen aan bod. Bernard lijkt ontsteld. Ik weet niet langer wat te vertellen. Gabriel redt ons. Hij wenkt, wij verontschuldigen ons en stappen op Gabriel af. "Dit is de kolonel.", stelt hij een man voor, "Hij is het hoofd van de immigratiedienst van het district Owando. Spijtig genoeg kan hij geen laissez-passer uitschrijven want zijn bevoegdheid is beperkt tot het binnenland." De kolonel belooft ons nog deze avond de autoriteiten van de grensstreek op te bellen en ons de volgende dag op de hoogte te stellen. "Jullie moeten niet terug naar Brazzaville. Het is zeker en vast mogelijk om de grens in Ewo over te steken. Ik zal informeren waar jullie welke stappen moeten ondernemen. Ik verwittig Gabriel." De kolonel vervolgt: "Ooit heb ik Brussel bezocht. Ik was daar voor een internationaal congres i.v.m. Shengen." Vandaar dat onze parochieraad zoveel informatie had over Shengen, de illegale oversteken en de problematiek en het lot van de illegale Afrikanen in Europa. Zij horen natuurlijk tot de betere burgerij.

Een paar dagen voordien smeekte een vrachtwagenbestuurder om hem mee te nemen naar Europa. Daar zou hij ook rijden, maar tenminste flink verdienen. "Ja", beaamde ik, "maar het leven bij is ook heel duur. Je kan echt niet zoveel sparen." "Maar jullie hebben zovele andere voordelen!" Discussiëren en uitleg geven is in deze situatie meestal zinloos. We lachten wat en vervolgden onze weg. Dezelfde avond troffen we de chauffeur in Owanda. Opnieuw klampte hij ons aan. "Alstublieft, bezorg me de papieren. Ik weet dat jullie dit kunnen. Neem me met jullie mee. Ik hou enkel geld bij om te leven. Ik zal twee jaar voor jullie werken. Pas in het derde jaar zal ik mijn loon zelf opnemen!" Ik probeerde nog even om hem duidelijk te maken, dat het helemaal niet eenvoudig is om papieren te krijgen. Hij begreep het niet en bleef aandringen. "Twee jaar krijgen jullie mijn loon." Ik veranderde van tactiek en begon te lachen. "Ja, ja. en dan komen wij in de gevangenis terecht omdat wij er een slaaf op nahouden." Nog later op de avond zagen wij hem nog eventjes terug. "Maman, papa, alstublieft. neem me mee!" We zwaaiden vriendelijk en vervolgden onze weg.

Dinsdag 13 maart '07

We hebben de morgenmis gemist en er is geen avondmis! Ik vrees de reactie van broeder Bernard. Hij komt langs maar zegt enkel: "Jullie vertrekken morgen." Het is geen echte vraag. Oorspronkelijk waren we van plan om gisteren te vertrekken. Omwille van het slechte nieuws, de geblokkeerde doorgang naar het noorden, besloten we ons verblijf een dagje te verlengen. Gisteren wimpelde broeder Gabriel dit voorstel min of meer weg. "Jullie moeten het langzaam aan doen. Rustig maar." Ik heb het gevoel dat niet wij, maar wel de broeders voor ons de beslissing hebben genomen. We lijken voor vele broeders en zusters een welgekomen afwisseling. Velen komen een praatje slaan.

Ook frère Gabriel komt langs. De kolonel liet hem weten dat de oversteek via Ewo mogelijk is. We kunnen een laissez-passer ofwel een visa aanvragen. Ik twijfel over de laissez-passer. Dit is normaal gezien enkel geldig voor inwoners van twee buurlanden. In Ewo kunnen we zeker en vast de papieren regelen, verzekert hij ons nogmaals. Hij geeft ons een kaart van Gabon bij en legt ons de beste route uit. Hijzelf is afkomstig van Ewo en is goed op de hoogte van de streek. Ewo drijft uitsluitend handel met Gabon. Hij zal een brief meegeven voor zijn mama. Zij zal ons doorheen de administratieve rompslomp helpen.

Woensdag 14 maart '07

Voor de deur klapt iemand in de handen. Hier wordt niet aangeklopt. Het klappen inde handen betekent dat iemand je wil spreken. We stappen naar buiten. Het is broeder Bernard. Hij nodigt ons uit voor het ontbijt. "De laatste dag willen wij samen met jullie ons sober ontbijt delen. Zo weten jullie hoe wij leven." We volgen de broeder. Het ontbijt is inderdaad sober: broodjes, deze morgen vroeg gebakken door de nonnetjes, een stuk avocado en citronella thee.

Vijfenzestig kilometer moeten we terugrijden. Dan nemen we de afslag naar rechts. We zuchten. een aardeweg. "Valt best mee. De weg is niet in zo'n slechte conditie.", beweert een jongeman. "Het asfalt, dat komt." Eric interpreteert dit als: vanaf het tweede gedeelte, op de verbindingsweg. Ik denk: dat komt er ooit wel eens. Ik krijg gelijk. De secundaire weg heeft af en toe iets mee van een aftandse dreef, maar het valt al bij al nog mee. De verbindingsweg daarentegen is in lamentabele conditie. Kloven, hellingen, weggespoelde aarde. het is afzien voor chauffeur, bijzitter en vooral de auto. De laatste twintig kilometer blijft maar duren en duren.

De laatste brug over! Oef, we zijn in Ewo. De grote stad beantwoordt niet onmiddellijk aan onze verwachtingen. Er staan enkele gebouwen, maar het zijn hoofdzakelijk overheidsgebouwen. Voor de rest is de stad een groot dorp. Vele stenen of lemen woninkjes geven de stad eerder een landelijk cachet. We zoeken een plaats om de auto te parkeren en worden prompt aangeklampt door . de overheid. Een man, weer eens zonder uniform, beweert van de politie te zijn en we moeten ons meteen met onze paspoorten melden. Ik baal. Het is halfvier. Eric staat te trillen op z'n benen. Ik vraag de man of we eerst iets mogen gaan eten. We komen daarna ons onmiddellijk melden. "Nee, onmiddellijk, direct." In een mum van tijd zijn we vergezeld van een viertal man. Iedereen begint door elkaar te praten, de mannen, Eric, ik. Teveel vragen, teveel antwoorden. Ze krijgen teveel informatie ineens. Dat moet verkeerd aflopen. We worden voor de officieren van dienst geleid. De chef bestookt ons met vragen. Eric voelt zich slapjes. Ik vraag opnieuw of we eerst iets mogen eten, daarna komen we ons onmiddellijk melden. De man die ons ophaalde, wil iets zeggen. Hij wordt afgesnauwd en letterlijk naar de hoek verwezen. "Daar, zwijg en wacht jij!" Nee, wij mogen niet eerst gaan eten. Eric windt zich op. De chef zegt: "Dit is een grensstad. Ik moet toezien of hier alles legaal verloopt." Eric begrijpt de man verkeerd en verliest de pedalen: "Wij zijn geen illegalen!" Iedereen moeit zich. De discussie loopt opnieuw hoog op. Uiteindelijk verheft de chef zijn stem en zegt dat iedereen moet zwijgen. Eric is op. en dan reageert hij niet altijd op de beste manier. Hij verheft zijn stem: "Jij zegt dat we illegalen zijn. Onze paspoorten zijn in orde!" Ik probeer Eric tevergeefs het zwijgen op te leggen. Na een poos dringen mijn woorden hem eindelijk door. Hij zwijgt. Ik verontschuldig Eric. Hij spreekt immers niet zo goed Frans en had de chef verkeerd begrepen. Hij heeft trouwens een zéér lastige rit achter de boeg en moet dringend iets eten en drinken of hij zal flauwvallen. "Ja, ja", beamen de omstaanders, "het is een zéér zware rit en zo'n camion besturen vraagt veel energie." "Wat wil hij drinken? Water?", vraagt de chef. Het oude mannetjes naast mij op de bank: "Wat eten jullie? Vlees, vis?... Ja, ja, dat kan je hier allemaal krijgen." Ja, ja. maar 't is allemaal voor later. na de ondervraging. "Waar komen jullie vandaan?" "Nee, nee, jullie moeten niet hierheen voor Gabon. Jullie moeten terug naar het noorden. De weg is er veel beter en jullie zullen veel vlugger Cameroun bereiken." Ik leg geduldig twee, driemaal na elkaar het verhaal uit: de foutieve informatie die we kregen vanuit de ambassade, de bevestiging van de politie dat de doorgang mogelijk was en de confrontatie met de realiteit ter plaatse. "Er is een brug, er is een bac." Zij blijven beweren dat de noordelijke route de meest logische is. Ze willen niet snappen dat er reeds een lange tijd geen overzetboot meer is, dat er al lang sprake is van de aanleg van een nieuwe brug, maar dat die nog maanden, zoniet jaren op zich kan laten wachten." "Heb je tot aan de brug gereden en dit met de eigen ogen gezien?", vraagt de chef. "Ja", lieg ik. Hou het eenvoudig is dikwijls de beste oplossing. "Onmiddellijk start een discussie tussen de politie enerzijds en de particulieren die zich aan ons komen vergapen. We krijgen onmiddellijk een route mee, waarvan we de raad kregen ze zeker niet te nemen. "Dit is de kortste weg, door Gabon, naar het noorden. Zie je dat de politie alles doet om jullie te helpen. Wij zullen jullie de weg tonen." Later bevestigt een man dat we zeker deze route niet mogen nemen: teveel waterwegen en de gammele bruggetjes kunnen wellicht het gewicht van onze auto niet dragen. "Jullie moeten nog naar immigratie. Als jullie hier nog een paar dagen willen blijven, mogen jullie zeker en vast nu nog niet naar hen gaan. Ze zouden jullie paspoorten afnemen en onmiddellijk afstempelen." We bedanken, mogen gaan, maar raken niet weg. De politie roept ons terug. "Ik zal iemand meesturen zodat jullie in een behoorlijk net restaurantje kunnen eten. Het moet netjes zijn!" We willen geen begeleider, maar ik weet niet hoe ik hem zonder de politie op de tenen te trappen kan afwimpelen. We zuchten en volgen de man. De tweede officier roept ons na: breng voor mij een vruchtensap mee! We negeren, maar de eerste officier roept ons terug: "Heb je gehoord wat hij zei? Je moet een sapje voor hem meebrengen." Ik lach: "Dan moet hij maar naar het restaurant komen!" Het restaurantje valt mee, plaatselijke keuken, niet te duur, maar sommige klanten zijn lastig: "Betaal me een bier!" Ik negeer. De waardin vraagt verontwaardigd of ik die mannen niets zal geven. Nee, dus. "Oké", zegt de ene en de ander: "Ik heb toch al gegeten."

De auto staat nog steeds bij de politie geparkeerd. De chef komt op ons toegelopen. "Lekker gegeten." "Ja, veel te veel." "Mijn sapje? Ik heb zo'n dorst en jullie hebben me geen sapje meegebracht!", zegt nummer twee ontsteld. "Papa Eric is er nu beter aan toe nu hij gegeten heeft.", zegt nummer één. Opnieuw staan we midden in een kring van mensen. Ze stellen vragen. Eric vertelt over onze tocht. De chef zuigt drank uit een klein zakje op. Whisky, vermoed ik. Ik vraag het hem. "Whisky." "Mag dat terwijl je dienst loopt?", vraag ik hem wijzend op zijn uniform. "Nee, maar ik zorg ervoor dat niemand het ziet." Een tiental burgers rondom ons zien natuurlijk ook niets. Opeens vraagt de chef me: "Heeft de man, die jullie bij ons binnengebracht, geld gevraagd?" Ik herinner me de man nauwelijks en geef op weifelende toon antwoord: "Nee, er heeft ons niemand geld gevraagd." "Heeft hij dan gezegd dat hij honger heeft?" "Nee." "Zeker weten? Herinner je dit niet meer zo goed?" "Als hij iets zou gevraagd hebben, dan zou ik het mij wel herinnerd hebben." Ik vraag Eric om bevestiging. "Nee, niemand heeft ons bij onze aankomst geld of te eten gevraagd." "Oh, ik heb hem in de gevangenis gegooid.", zegt de chef langs zijn neus weg. Ik weet niet wat ik hoor. De chef vervolgt op luchtige toon: "Ik heb hem ondervraagd en in de gevangenis gegooid. Je weet niet over wie ik het heb? De man met het baardje? Kom.", beveelt hij me. We stappen het politiegebouw binnen. Hij opent een klein duister hok. Ik zie niemand. Hij roept een naam. Ik hoor enkel: "Nee, ik kom niet." Ondertussen ben ik aan het duister gewend en zie ik zes, zeven man in hun slip op de grond zitten. De chef beveelt de man opnieuw om naar buiten te komen. Hij staat recht voor me. "Hij is het. Herken je hem?" Ik knik. "Hij droeg deze kleren.", wijst de chef op een hoopje kleren net voor de cel. "Heeft hij nu geld gevraagd of niet?" Ik kijk de beschuldigde recht in de ogen en antwoord: "Nee, deze man heeft geen geld gevraagd." "Heeft hij dan gezegd dat hij honger had." Ik zucht: "Nee, wij." Ik leg de klemtoon op 'wij', "hebben gezegd dat wij honger hadden en gevraagd of we eerst iets mochten gaan eten. Dat mocht niet." De chef is een ogenblik besluitloos. De beschuldigde zoekt zijn kleren uit de hoop. Hij houdt ze voor en zegt: "Deze kleren had ik aan." Hij legt ze terug neer en blijft recht voor me staan. Plots pakt de chef energiek de kleren op, gooit ze de man toe en duwt hem opnieuw de cel in. "Trek aan. Wat het geld betreft, heb je gelijk. Wat het eten betreft, twijfel ik nog." Ik ben ontzet en volg de chef. Hopelijk vergeet hij de man niet vrij te laten. Op geanimeerde toon gaat het gesprek buiten verder. "Vanavond drinken we whisky met de koppels. We verwachten jullie." "Vergeet dan ook niet mijn sapje mee te brengen.", herinnert nummer twee. We lachen eventjes mee en muizen er voorzichtig vanonder. Ik breng Eric op de hoogte van de opsluiting. Hij is ontzet. Zo'n tocht, het beheersen van zo'n auto is enorm afmattend. spieren trillen. vermoeidheid. tekort aan energie. Ook aan de chef hebben we gevraagd of we niet eerst iets mochten gaan eten. Is daardoor het 'misverstand' ontstaan? Ik twijfel. lijkt me meer willekeur en machtsmisbruik.

De volgende dagen lopen we de twee officieren nog vaak tegen het lijf. Soms zitten ze, in gezelschap van andere agenten, op een bankje vlak voor het politiegebouw. Op zekere dag staat de voormalige beschuldigde recht achter het bankje. De man kijkt me koud aan. Ik weet niet of hij ook een agent is of een informele helper. Heel wat ambtenaren dragen naar willekeur al dan niet een uniform. Hun legimitatie tonen ze niet altijd. Voor de toevallige voorbijganger is het gissen. Ook hier ligt de oorzaak van het ganse gedoe. Een burger kan ons wijzen op zeker verplichtingen, maar heeft geen recht om iets van ons te eisen of ons tot iets te verplichten. Ik ben verveeld met de situatie, maar voel me niet schuldig.

De ene officier blijft dagelijks om zijn drankje zeuren. De chef vraagt ons om zijn fles whisky. "Ik had begrepen dat jij ons met whisky zou trakteren!", repliceer ik. "Nee, nee, nee.", is het lachende antwoord. "Whisky kost hier niet veel. Jullie kunnen best met ons delen." We wimpelen de 'vriendelijke' politiemannen lachend af. Wie zal hen kortwieken? Dat gooit zomaar iemand zonder de minste aanwijzing de gevangenis in, terwijl ze zelf ongegeneerd schooien!

Op een dag horen we een man schreeuwen. "'t Is misschien maar een gek.", probeert Eric. Ik twijfel sterk. De schreeuwen volgen elkaar in een zeker ritme op. het ritme van een stokslag. denk ik. Zijn ze iemand aan het ondervragen? Ik ril.

Na onze registratie in het politiekantoor zoeken we mama Marthe, de mama van Gabriel, op. Bij het lezen van de brief zucht ze. "Hoelang zijn jullie reeds in Ewo?" "Dat weet ik niet zo precies. ergens in de loop van de namiddag, drie uur." "Zijn jullie geregistreerd bij de gendarmerie?" "We zijn geregistreerd bij de politie." "Kom", zegt ze terwijl ze rechtstaat, "we gaan eerst en vooral naar de gendarmerie. Jullie moeten bij politie én gendarmerie geregistreerd staan. De politie staat in voor alle mensen die de stad inkomen of willen verlaten. De gendarmerie voor iedereen die in de stad verblijft." We zuchten en stappen de weg terug af. We zijn moe, willen enkel onze auto ergens stationeren, liefst ver van het politiekantoor weg, en rusten.

Mama Marthe doet haar verhaal, voor de helft in de locale taal, de andere helft in het Frans. Ze haalt haar brief boven. Ik kan min of meer meelezen. Gabriel vraagt haar of zij de Belgische toeristen kan wegwijs maken doorheen de administratieve beslommeringen. De gendarme vraagt de brief. Gewichtig zegt hij tot Marthe: "Dit is een héél belangrijke brief. Die moet je goed bijhouden." Ik denk enkel: oh yeh, kloppen jullie echt elk onbenulligheidje op tot 'een zaak'. "Toeristenkaart?", vraagt hij ons. "Hebben we niet.", laten we er bijna automatisch op volgen. "Hoe kan je dan bewijzen dat jullie toeristen zijn?" Ik neem het paspoort uit zijn handen en wijs op de visa. "Dit zijn toeristenvisa. Zo niet, staat er vermeld dat het om business gaat." "Ja?", vraagt de man verwonderd. "Ja", antwoord ik. Ik ben allang blij dat hij mij geloofd en gehoorzaam knikt. Van een toeristenkaart heb ik trouwens nog nooit gehoord! We moeten onze auto achter de gendarmerie parkeren. Daar staan we tenminste veilig! Eric mokt. We kunnen moeilijk tegen de man ingaan.

De volgende dagen komen talrijke kinderen 'blanken bekijken'. Ze kunnen uren voor onze auto zitten en al onze bewegingen registreren. Soms is het leuk. meestal vrij vervelend. Privacy is iets wat in Afrika nog moet ontdekt worden.

Na vijf dagen willen we Ewo verlaten, op naar Gabon. We moeten langs bij immigratie. Onbegrijpelijk, maar ons uitstempeltje kunnen we niet krijgen. We moeten uren wachten, want de overste moet ons zien. Handjes schudden, plaats nemen. "Wat is jullie probleem?", vraagt hij. "Euh." "De overste van de immigratiedienst van Ovando heeft mij gebeld en gevraagd om jullie zo goed mogelijk te helpen." De kolonel. denken we. "Een laissez-passer kan niet. Een visa voor Gabon kunnen ze enkel in Gabon afleveren. en die Gabonezen kunnen moeilijk doen! Ik stel jullie voor dat ik een verlies van paspoorten opmaak. Daarmee kom je het land binnen, maar dan moeten jullie de paspoorten goed verbergen." We weten niet wat we horen. Dan moeten we sowieso een nieuw paspoort laten opmaken, een hoop administratieve rompslomp, toch een visa kopen, een onderzoek. En hoe toveren we dan aan de grens met Cameroun ons oud paspoort met visa voor Cameroun boven. Hoe verklaren we het tekort aan uitstempel? Het foefelare, trucare. hangt me de strot uit. Misschien lossen we een 'eventueel' probleem op met een resem nieuwe problemen. Nee, dus. dat is niet aan ons besteed. "Krijgen jullie geen visa, dan sturen ze jullie terug." De overste roept zijn chef. "Ja, in Lékoni schrijven ze visa uit." We wagen het erop. We krijgen onze uitstempel en wegwezen. Vergeet het: registratie bij de politie, de gendarmerie. daar worden alle paspoort gegevens opnieuw genoteerd. op een los kladje.

Ewo is de grensstad. De feitelijke grens ligt zo'n zeventig, moeilijk te vinden en te berijden, kilometers verderop. We botsen nogmaals op een politiecontrole van Congo Brazzaville. Ook hier worden spelletjes gespeeld. "Jullie moeten een uitstempel." "We hebben reeds een uitstempel vanuit Ewo. "Hebben ze jullie geld gevraagd?" "Neen." "Deze stempel is onvoldoende. Jullie moeten ook hier een stempel krijgen. Er zijn vele sporen die leiden tot Lékoni. Wij hebben een goede relatie met Lékoni. Indien jullie onze stempel niet hebben, dan zullen ze jullie als illegalen beschouwen. Pech voor jullie als jullie onze stempel weigeren." "Geef dan een stempel.", zeg ik geërgerd. "Je weigert onze stempel." Op het povere tafeltje staat nergens of nergens een stempeldoos te bespeuren. Er is ook geen schuif aan de tafel. Er staan nergens kasten. "Papieren van de auto.", bitst hij. "Open de auto!" "Waarom?", vraagt Eric. "Zijn jullie douane?" "Nee, immigratie." "Ge wil de auto niet openen! Wij zijn de gezagsdragers!" "Wil je de auto zien? Kom dan mee, hé." Van ver steken ze de neus in de camper. "Oké." "Jullie weigeren de stempel. ga dan. Heb je geen conserven?" "Wablief?, vraag ik. "Begrijp je me niet?" "Conserven? Ik heb geen conserven. Vraag jij een cadeau?" "Ja, antwoord hij zonder blikken of blozen. "Ik vraag je iets en jij kan gaan." Ik gá. Eric komt me achterna gelopen. "Toe geef ze iets, zo'n poppetje. "Nee", bits ik. "Ria, ik hou mezelf onder controle. Als jij niet toegeeft, dan zal ik uitbarsten en dan zijn we terug naar af." Ik blijf mokken. Eric geeft de drie mannen een poppetje. "Waar is mama? Ik wil jullie de weg uitleggen. Mama spreekt goed Frans." Eric roept me. Onwillig kom ik.binnen. Ik zie de grote lummels met een poppetje voor hun neus op de tafel. De grote mond legt de weg uit. (Gelukkig maar anders kozen we willicht het verkeerde spoor). Ze willen handen schudden. Onwillig geef ik hen, met een koud gezicht, de hand. "Steeds welkom! Tot ziens!" "Geloof dit maar niet.", zeg ik tussen de tanden. "Stempeltje, stempeltje.", pruttel ik. "'t Is die ene blaaskaak.", weet Eric. Na een uur of twee bereiken we een dorpje. De huisjes zijn allen vervaardigd uit metalen golfplaten. vreemd gezicht. We zijn in Gabon. Er resten ons nog een vijftigtal kilometer vooraleer we de grensstad Lékoni bereiken.

Ria Anyca

Lees verder: Reisverslag 25 - Gabon >>